Home » Inspiratie » Grondleggers en nieuwkomers in de kinderfilosofie in dialoog #3

Grondleggers en nieuwkomers in de kinderfilosofie in dialoog #3

Thecla Rondhuis, grondlegger van de kinderfilosofie in Nederland moest het symposium in november ‘25 van CK en de Vlaamse VEFO aan zich voorbij laten gaan.

Ze heeft daartoe een tekst geschreven waarin ze de wortels van haar eigen filosofische ontwikkeling, de oprichting van het centrum, de verschillende publicaties en haar wetenschappelijk onderzoek blootlegt. Nieuwkomer in het veld Simona Schouten, door de kinderjury van de Berrie Heesenprijs bekroond als één van de winnaars, dient Thecla van repliek. Omdat zij elkaar niet konden treffen op het symposium, hebben Thecla en Simona bij Thecla thuis een gesprek gevoerd. Hieronder lees je een kort verslag van het gesprek en daaronder de tekst van Thecla en de repliek van Simona. In deze serie lees je de teksten van de andere vier Nederlandse koppels, voorzien van een tekening door Hado Steen.


Een kort verslag van het gesprek

Thecla en Simona delen behalve de liefde voor het filosoferen met kinderen ook een ervaring in de omgang met mensen met een verstandelijke beperking. Voor Thecla is het filosoferen met mensen met het syndroom van Down, zoals haar zoon, een onbegaanbare weg, terwijl Simona daar juist kansen ziet. Zij werkt in het speciaal onderwijs en heeft twee zoons in het autistisch spectrum. Voor de kinderen op haar school is de snelheid van het spel van vraag- en antwoord een uitdaging. Ze onderzoekt hoe ze hen kan helpen te zeggen wat ze denken, simpelweg door te vertragen en dan te onderzoeken wat ze waarneemt.

Thecla filosofeerde zowel op vwo-scholen als op het vmbo. Op grond van een indrukwekkende hoeveelheid gesprekken, concludeert ze dat je met jongeren van alle opleidingsniveaus kunt filosoferen. De filosofische vragen worden echter door deze jongeren verschillend gewaardeerd. Je stelt vragen naar aanleiding van een verhaal. Of het zijn vragen, die het leven opwerpt, vragen die je blijven achtervolgen. Steeds moeten er creatieve oplossingen worden bedacht. Filosoferen draait niet om weetjes, maar om vragen. Vragen en oprechte nieuwsgierigheid zijn de motor van ons denken. De gevoeligheid voor twijfel speelt daarbij een belangrijke rol. Die gevoeligheid verschilt van kind tot kind. Sommigen hebben die van nature, anderen denken alleen in vaste patronen. Meestal ontdekken kinderen wel iets geks in een verhaal. Het ‘filosofische licht’ zit niet alleen in woorden, maar vaak ook in non-verbale uitlatingen zoals mimiek.

Simona: “Dat zie ik ook. Maar als ze in het hier en nu zijn, kunnen we wel verder komen vanuit hun betrokkenheid op de vraag. Ik pas mijn manier van handelen aan op hun antwoorden. En dan komen er interessante antwoorden en vragen en reageren kinderen op elkaar. Ik merk dat de startvraag soms te abstract is. Dan komt het voor dat ik de kinderen die wel kunnen filosoferen, maar die niet door de vraag in beweging komen, niet zie.”

Thecla: “De uitspraken van kinderen moeten als legosteentjes op elkaar passen. Uitgewaaierde gedachten blijken daar uiteindelijk toch in te passen.

Simona: “Inderdaad, als kinderen gaan fantaseren, kan ik dat niet meer bij elkaar brengen.” “Ik denk dat filosoferen iets is van ons allemaal. Ik ben het met je eens dat het ervan afhangt hoe met dat vermogen omgegaan wordt. En de zorg die je voor een kind hebt, heeft bovendien voorrang op het kind te helpen autonoom te denken.”

Thecla: “Als ‘zorg’ belangrijker is dan autonoom denken, dan vraag ik me af of jouw leerlingen wel filosoferen. Er is een verschil is tussen filosoferen en een gedachtewisseling uit pedagogisch oogpunt.”


De derde in de serie: nieuwkomer Simona Schouten repliceert op grondlegger Thecla Rondhuis.

De bijdrage die grondlegger Thecla Rondhuis leverde aan de kinderfilosofie:

Filosoferen met kinderen na 50 jaar, 2025

  1. Filosofische wortels van mijn eigen ontwikkeling (kindertijd)
  2. Leven, contacten met Karel van der Leeuw, oprichting van het Centrum
  3. Filosoferen met kinderen en publicaties
  4. Promotieonderzoek naar de filosofische kwaliteit in het denken van kinderen en jongeren (van 10 tot 20 jaar)

Kindertijd

Als kind tob ik met tal van vragen over geloof, waarheid, over dood. De zuster van mijn lagere school werd er horendol van en verweet mij brutaal te zijn omdat ik geen genoegen nam met het schoolse antwoord.

Bestaat er rommel die je niet kunt zien?

Bestaat Amerika echt? Of Sinterklaas? Of het goud in Fort Knox?

Kun je de sterren bezitten?

Kan een ingedeukt colablikje mooi zijn?

Lastige vragen blijven mij als Middelbare scholier achtervolgen. Ook al ken ik het naadje van de kous over de lichttheorie, over stralenbundels, lenzen en brandpuntafstanden: hoe komt het dat ik zie? Hoe springt dit fysieke mechanisme over op mijn brein? Waar wordt perceptie bewustwording en actie? Ik ga biologie en filosofie studeren en kom er al gauw achter dat vragen stellen de motor is van het denken. Tegelijkertijd leer ik dat er vragen zijn die gêne oproepen (over seks) of op de lachspieren werken. Mijn oprechte nieuwgierigheid trotseert deze obstakels en een buitenstaanderspositie. Ik continueer mijn zoektocht. Het is verrukkelijk om ‘gewone’ dingen, die gek zijn of bevreemding oproepen te bevragen.

Leven

Leven is meer dan leren en je drijfveer volgen. Niemands bootje vaart louter op golven van geluk. Leven-insnijdende gebeurtenissen zijn mij niet bespaard gebleven. Ik krijg Ramon, een verstandelijk gehandicapte zoon die nooit leert praten. De vragen liggen voor het oprapen: Kun je van iemand houden als je er niet mee kunt praten? Wat is gewoon? Wat heet ‘anders’? Een naar normaliteit strevende samenleving kan niet goed passende individuen op een zijspoor rangeren (Foulcault). Het nuttigheidsdenken (utilitarisme) komt op zijn kop te staan. De vele confrontaties met situaties die niet ‘vanzelf’ verlopen dwingen tot nadenken en tot creatieve oplossingen. Ik zorg 50 jaar lang, dag en nacht voor Ramon.

Nieuwe ‘waaroms’ stapelen zich boven op oude ‘waaroms’.

Filosoferen met kinderen

Vanaf 1980 filosofeer ik wekelijks met kinderen uit groep 7 en 8. Met Karel van de Leeuw bespreek ik alle ervaringen en de mogelijkheden hierin verder te gaan. Het is de tijd van Matthew Lipman, wiens curriculum Karel en Pieter volgen. In Nederland blijken nog meer geïnteresseerden: het hoofd van een basisschool in Amsterdam, de directeur van een testbureau in Bloemendaal en Berrie Heesen. We steken we de koppen bij elkaar. En in 1987 gaat het Centrum voor Kinderfilosofie van start.

Filosoferen is in de eerste plaats een manier van denken, dat niet afhankelijk is van ‘weetjes’. Kinderen kunnen filosoferen. Ik blijf met mijn voeten op de grond tussen kinderen staan. Ik probeer de verschillende gedachtes als legosteentjes op elkaar te passen. Ik werk thuis de gesprekken uit en schrijf maandelijkse columns in Filosofie Magazine en Natuur en Milieu. Voor de IKON maak ik een serie televisieprogramma’s Ik dacht bij mezelf. Een tiental achtstegroepers buigt zich over filosofische vragen zoals: ‘Wat is een ondier?’ We volgen eerst een rattenvanger in Friesland en, terug in de klas, voeren we de discussie. Ik schrijf 2 boeken: Filosoferen met kinderen en Jong en wijs. In de meer dan 25 jaar dat ik met kinderen en jongeren filosofeer vallen mij verschillen op in de spirituele vermogens van kinderen, bij het omgaan met filosofische thema’s. Sommige kinderen lijken van nature echte filosofen, terwijl anderen schijnbaar weigeren verder te denken dan clichés, bekende en welomschreven zekerheden, ongeacht hun achtergrond of schoolprestaties. Ik krijg een sterk gevoel dat er sprake is van een onderliggende kwaliteit in de manier waarop kinderen denkpatronen aan de dag leggen bij het beantwoorden van filosofische vragen. Dit wil ik uitzoeken.

Promotieonderzoek

Het wordt een empirisch onderzoek van 7 jaar, gebaseerd op vele feitelijke gesprekken met vele (meer dan 300) kinderen. Hoe kan het dat de één vanzelf filosofeert en de ander moeizaam? Ligt het aan de intelligentie? Aan een bepaalde levenservaring? Aan een cultuur of onderwijsstijl? Ik filosofeer In Nederland en in België. Ik voer filosofische gesprekken met jongeren in Oostenrijk, Moskou en Suriname. Ik filosofeer met kinderen en jongeren die gehandicapt of blind zijn, die gevangen zitten of die niet bij hun ouders wonen (schippers en kermiskinderen). Alle kinderen stellen eenzelfde soort vragen en steeds wordt er iets geks ontdekt in een gewoon verhaal. Ik onderzoek alle 1500 uitspraken op hun filosofische kwaliteit, gebaseerd op kenmerken die door de eeuwen heen als belangrijk voor de mentale activiteit van het filosoferen worden beschouwd, o.a. gevoeligheid voor dubbelzinnigheid en onzekerheid. Ik ontwikkel en verwerk de data op een objectieve, betrouwbare en valide wijze. De uitkomsten zijn herhaalbaar, ongeacht door wie deze gescoord of verwerkt worden en staan los van andere mentale eigenschappen.

Conclusie

Alle kinderen met wie ik filosofeerde komen met eenzelfde soort vragen als waarmee ik als kind tobde. Kinderen uit andere landen en andere culturen zijn daarin niet anders. De manier waarop er met die vragen wordt omgegaan verschilt wel per cultuur, per sociaal-culturele setting en per tijdsgewricht. Alle wijsgerige gedachtegangen van deze kinderen en jongeren (al dan niet gehandicapt, blind, niet bij hun ouders wonend, gevangen zittend) staan op mijn audiobanden. Ik heb een meetbare PQ kunnen aantonen, een philosophical quality, een min of meer aangeboren eigenschap, die tot op zekere hoogte ontwikkeld kan worden.

Filosofisch denken blijkt altijd een samensmelting / vervlechting te zijn van wat in je aard zit en van intrigerende elementen die op je pad komen.

Oktober 2025

Thecla Rondhuis

Simona Schouten – een repliek

Filosoferen met kinderen na 3 jaar, 2025

Ten eerste: dank Thecla voor je inspirerende tekst. Door de opbouw van je tekst ben ik gemotiveerd om mijn proces naast jouw tijdlijn te leggen. Hoe is mijn proces hierin verlopen? Hoe verhouden onze processen zich tot elkaar? Zorgen onze overeenkomsten en verschillen voor eenzelfde of een andere uitkomst?

Kindertijd

Ik werd geboren nadat jij moeder werd. Ook ik tob met vragen over geloof, waarheid en de dood. Ik blijf maar praten over alles wat ik denk. En wanneer ik met mijn barbies speel, vraag ik mij altijd af of ik wel vrij ben. Worden mijn handelingen soms ook bepaald? Is mijn leven al voorbestemd? En wie is God eigenlijk? Kan er wel een heel volk bestaan daar bovenop de wolken? En hoe eerlijk zijn de verhalen die ik lees in de kinderbijbel?

Dat mijn bootje niet op geluk vaart, leer ik al in deze periode.

In de leeftijd van 14 tot 20 jaar wil ik experimenteren, het leven uitproberen. Het leven ook uitdagen. Hoe ver kan ik gaan? Wie ben ik en wat betekent het om jezelf te zijn? Kan dat überhaupt? Maar ik denk dat ik het meest stoei met de vraag ‘Wat is de waarheid en wat is waarheid dan eigenlijk?’

Leven

Ik heb mij lang niet thuis gevoeld in mijzelf en in mijn leven. De komst van mijn kinderen brengt daar verandering in. Wat een verademing om door ze meegenomen te worden met hun vragen, hun zienswijze, hun kaderloze denken. Ook met veel zorg. We kunnen niet mee met de gemiddelde stroom. Het brengt mij terug bij de vraag wie ik ben. Loskomen van denkpatronen, zoals hoe het hoort. En net als bij jou, stapelen er ook bij mij nieuwe ‘waaroms’ boven op de oude ‘waaroms’.

Filosoferen met kinderen

Ik ontdek de Westerse filosofie 3 jaar geleden. Daarvoor was ik altijd wel geïnteresseerd in de Oosterse filosofie.

Ik heb mij ingeschreven op de Hogeschool voor Toegepaste Filosofie na een switch te hebben gemaakt naar het onderwijs. Ik zie mijn kinderen worstelen met het onderwijs. De creatieve zieltjes verstommen en om mee te kunnen komen moet de kennis worden begrepen. Je schrijft dat filosoferen in eerste plaats een manier van denken is, dat niet afhankelijk is van ‘weetjes’. Ik vraag mij dan af of je tussen alle weetjes nog kunt blijven filosoferen? Wat is het effect van al die weetjes die we kinderen en jongeren aanreiken? Is er nog ruimte, en daarbij bedoel ik niet alleen de ruimte in een school maar ook in het hart en in het hoofd, om de wereld te aanschouwen zonder de weetjes? Wat betekent het leven nog wanneer we alleen voortborduren op weetjes. Wat betekent dat voor onze autonomie? Maakt sociaal engagement het moeilijker om in je eigen vrije ruimte te kunnen blijven spelen?

Onderzoek

Ik filosofeer nu met kinderen in het voortgezet speciaal onderwijs van 12 tot 18 jaar.

Ook ik zie dat er steeds iets geks wordt ontdekt in een gewoon verhaal. Maar wat ik ook ontdek in de schoolse setting, is dat kinderen maar moeizaam de vragen stellen. Ze zitten stil, ze wachten tot ik iets zeg. Wanneer ze een oefening in een groepje uitvoeren, lijkt het gesprek meer als vanzelf te gaan. Wat een dankbare taak om in het onderwijs een filosofieles te geven waarin ik niet iets over te dragen heb. Ik ben daar voor hen, nieuwsgierig naar wat zij denken, willen en ervaren. Ik wil met ze mee op onderzoek.

Hierdoor voel ik mij strijdvaardig. Filosoferen hoort in het onderwijs, voor ieder kind. Van school afgaan met nieuwe zienswijze in plaats van bestaande over te nemen.

Voor de leerlingen die niet kunnen praten en waarvan we niet weten wat ze kunnen denken, vraag ik mij af of zij filosoferen door te ervaren. Bijvoorbeeld wanneer we verschillende geluiden of gebaren maken. Als een gebaar ‘ja’ betekent, kan het dan ook iets anders betekenen? Is de verwondering die wordt ervaren bij de aanraking van blote voetjes in de modder of bij het horen van het geluid van vogels, ook een filosofische kwaliteit? Of de schaterlach wanneer iets geks gebeurt? Wat betekent filosoferen zonder taal?

Conclusie

De wijsgerige gedachtegangen van kinderen die kunnen denken en spreken zijn meetbaar aan te tonen. Hoe zit dat met de kinderen die niet meegenomen kunnen worden in dit onderzoek?

Kunnen we tot een nieuw gerecht van filosofische kwaliteiten komen, wanneer we ingrediënten van verschillende wereldse filosofische stromingen bij elkaar voegen? Kan filosofie dan gaan over zijn in plaats van over denken?

Niet iedereen kan aantoonbaar denken of spreken. Maar iedereen ‘is’. Zou deze inclusieve gedachte niet veel meer recht doen aan één ieder van ons?

Geschreven door:

Centrum Kinderfilosofie

Stichting Centrum Kinderfilosofie
Meer artikelen uit dit dossier:
Share This