Individuatie is een persoonlijk groeiproces waarbij de eigen, karakteristieke persoonlijkheid ontdekt, gevormd en hopelijk ook omarmd wordt. Het proces leidt tot bewustwording van verschillen en overeenkomsten met andere personen.
De laatste tijd denk ik vaak over de verhouding tussen individu en gemeenschap. Ik werk (o.a.) in een woonzorgcentrum met een specialisatie in psychiatrie, op een afdeling waar zesendertig mensen samenleven. Het is een diverse groep mensen, zowel wat betreft leeftijd als persoonlijke historie. Ik vind het fantastisch, bijzonder werk, doe het met veel liefde en plezier.
Wat ik opvallend vind, is dat veel bewoners moeilijk contact maken. Niet met mij, dat gaat meestal redelijk vanzelf, maar met elkaar. Als ik gesprekken met de mensen voer, dan probeer ik hen expres gemeenschappelijke interesses of andere raakvlakken te laten ontdekken. Soms lukt dit en dan gaat het gesprek even door, ook nadat ik de ruimte verlaten heb. Maar meestal valt het snel weer stil.
Door individuele gesprekken met de mensen weet ik dat sommige graag meer sociaal contact zouden willen hebben omdat zij zich eenzaam voelen. Door hun mentale bagage en veelal ingewikkelde persoonlijke geschiedenissen hebben zij bijvoorbeeld geen of nauwelijks betrokken familie en vrienden meer om zich heen. En zomaar op iemand toestappen voor een praatje wordt als iets ingewikkelds en spannends ervaren.
Het komt voor dat bewoners aan het ene uiteinde van de gang de bewoners aan de andere kant van de etage niet eens kennen, ondanks de maaltijden in de gedeelde huiskamers. Ik probeer mensen van verschillende afdelingen (dat zijn er vijf) met elkaar in contact te brengen, en soms is een ontmoeting leuk, maar bestendigen doet het niet snel.
Het gaat me aan het hart dat ik de eenzaamheid van de mensen zo duidelijk waarneem, maar er zo weinig structureel aan kan veranderen. Hoe kan ik bijdragen aan meer verbinding? Waarom is het zo moeilijk voor de bewoners om gemeenschappelijkheid te ervaren en zich een beetje meer ingebed te voelen in het grotere geheel dat de afdeling vormt?
Misschien dat veel bewoners in hun jonge leven niet genoeg tijd en ruimte hebben gehad om zich op een voor hen eigen, authentieke manier te ontwikkelen, en dat zo al vroeg het proces van individuatie verstoord is geraakt. De psychische problemen (en alle bijeffecten daarvan) zijn in de meeste gevallen al heel lang bestaand. Als het je daardoor minder duidelijk is hoe je zo’n beetje in elkaar steekt en vervolgens meer moeite hebt je tot de ander te verhouden, dan lijkt functioneren in een gemeenschap mij extra lastig. Want ik denk dat individuatie juist belangrijk is voor gemeenschapsvorming. Anders lukt het je bijvoorbeeld niet om persoonlijke grenzen helder te voelen en aan te geven, of om je talenten te herkennen en die te kunnen inzetten in het belang van jezelf én de ander of de groep.
Is dat zo? Helpt het, als je prettig en effectief wil samenleven, dat je eerst je individualiteit de ruimte hebt kunnen geven? Over gedegen zelfkennis beschikt? Of werkt het omgekeerd?
Ikzelf was aanvankelijk in geen van beide erg goed, geloof ik. In mijn jeugd heb ik weinig gemeenschappelijkheid ervaren (maar heb dat pas helder ingezien vanaf het moment mijn dochter naar school ging). Ik zat op een Montessorischool, waar een groot deel van de tijd ieder zijn eigen ding deed. Er was geen duidelijke aandacht voor groepsvorming. De ouders hadden een vrij grote afstand tot de school, althans, de mijne. Zij gingen niet om met andere ouders, er werd niets gedeeld. Mijn ouders waren gescheiden en beide gezinnen waren behoorlijk op zichzelf, naar binnen gericht. Dus ik heb nooit het gevoel gehad dat ik was ingebed in een groter geheel, een gemeenschap.
Terugkijkend heb ik mij destijds maar matig ontwikkeld, voelde me als individu niet ‘stevig’, maar eerder verdwaald en misplaatst in mijn omgeving. Later, na mijn schooltijd, kwam er ruimte om de dingen te doen zoals die beter bij mij pasten, schakeerde ik ‘mijn type mensen’ om mij heen en ben ik steeds meer uitgegroeid tot mijzelf. Maar dit heeft relatief veel tijd en moeite gekost.
Toen ik mijn dochter naar school bracht, was dat een Vrije School. Dit schooltype besteedt bewust veel aandacht en tijd aan het ontwikkelen van het gemeenschappelijke. Ik wist niet wat me overkwam!!! Ik had natuurlijk zelf die school voor haar uitgekozen, maar dat deze insteek zo’n groot verschil maakte, had ik nooit gedacht. Er werd samen met de hele school gezongen, ouders en al, keer op keer. De ouders waren vanzelfsprekend betrokken en het was gebruikelijk om als oudergroep te helpen. Ik herinner me dat ik me, mede door het uitbundig vieren van zeven jaarfeesten, helemaal ‘gedragen’ voelde! Dit deed me alsnog zo goed; ik had me nooit gerealiseerd in welke mate ik die gemeenschappelijkheid binnen een schoolse setting blijkbaar gemist had. En vooral ook het vanzelfsprekende, dat men waar nodig elkaars kinderen opving en van alles voor elkaar deed, in harmonie.
Mijn dochter heeft een heerlijke basisschooltijd gehad, en ik kon me niet gelukkiger voelen dan toen zij op een dag zei: ”Ik denk dat, als jullie iets ergs zou overkomen, ik letterlijk bij alle ouders van mijn klas welkom zou zijn”. Dat gevoel van geborgenheid had ik zelf niet gekend en ik was super dankbaar dat zij die ervaring wél had meegekregen.
Ik wil heus niet stellen dat de Vrije School zaligmakend is, want dat is geen enkele school. En dat hoeft ook niet, want je moet idealiter ook wat te ploeteren hebben, omdat je daarvan veel over jezelf leert. Maar samenleven en gemeenschappelijkheid zijn wel echt pilaren waarop het onderwijs daar neergezet wordt. Hoe anders zijn mijn dochter en haar klasgenoten uit hun schooltijd tevoorschijn gekomen dan ik! Vrijer, steviger, met meer zelfvertrouwen. Zij lijken nu al meer samen te vallen met hun ‘ware ik’, in plaats van dat ze op een dwaalspoor beland zijn waar ze weer vanaf moeten zien te komen, zoals ik destijds.
Je kunt je dus vermoedelijk het best en makkelijkst ontpoppen tot een duidelijk individu binnen een fijne gemeenschap. Waar je mag uitgroeien tot wie je oorspronkelijk (volgens je eigen ’sjabloon’) al bent. En ook tegen andermans grenzen aanloopt en die samen moet aftasten. Sociaal gedrag uitproberen, ook ruzie maken, stout doen, et cetera. Als je die kans niet krijgt, binnen een veilige setting, is evenwichtig opgroeien met een kloppend zelfbeeld én je verbinden met anderen een stuk lastiger.
Ik denk dat de bewoners van ‘mijn’ woonzorgcentrum deze kansen in veel gevallen gemist hebben, juist doordat sociale cohesie en een gedegen vangnet vaak niet vanzelfsprekend waren.
En tja, dan kom ik vanzelf weer uit bij het filosoferen met kinderen: kun jij je een betere plek voorstellen om actief en in gemeenschappelijkheid je individualiteit te ontdekken en ontwikkelen dan in de filosofische onderzoeksgemeenschap? Ik werkelijk niet! Voor een goed onderzoek ben je van elkaar afhankelijk, moet er groepsontwikkeling zijn en vertrouwdheid. En juist binnen die setting van open onderzoekendheid kunnen kinderen zichzelf ‘uitvinden’ door te experimenteren en elkaar van reacties en feedback te voorzien. Hoe individueler de filosofische gezichtspunten, hoe breder en spannender het gesprek en het gemeenschappelijke onderzoek naar het onderwerp.
Individualiteit en gemeenschappelijkheid versterken elkaar in plaats van dat deze tegenpolen zijn. De één kan zich niet op een gezonde en complete manier vormen zonder de ander. En dan lijkt het vervolgens een kwestie te zijn van het vinden en behouden van de juiste balans tussen de twee, want, zoals elke balans kan die ook doorslaan.
En wat betekent dit voor die lieve bewoners? Natuurlijk filosofeer ik ook met hen. Dat wordt erg leuk gevonden. Laatst voerden wij een gesprek over ‘openbaarheid’: wat is het en hoe ga je ermee om als je met z’n zesendertigen op één etage woont? Zoals dat wel vaker gebeurt tijdens het filosoferen, sprong juist iemand helemaal ‘aan’ van wie ik dit misschien wel het minste verwachtte. De mensen vinden het, precies zoals de kinderen, heerlijk om over iets échts en relevants te praten. Dus ja, dit blijf ik natuurlijk doen! Maar niet met de verwachting dat het proces, hoe positief ook, nu nog écht kan bijdragen aan individuatie of gemeenschapsvorming. Daarvoor lijken er teveel verstoringen in het verleden te liggen, met diep verankerde gedrags- en gedachtenpatronen tot gevolg. Maar plezier en geïnspireerdheid ervaren we zeker, en er bestaat altijd een kans dat er toch iets in beweging komt, iets wat voor mij misschien onzichtbaar blijft.
Filosoferen op jonge leeftijd is zo waardevol, juist op het moment dat kinderen hun individualiteit aan het verwezenlijken zijn. Echt hoor: jong geleerd, oud gedaan!
En tot slot: over wisselwerkingen gesproken! Niet alleen die tussen individu en gemeenschap, maar ook tussen psychologische en filosofische processen. Mooi hoe zij laddertjes voor elkaar neerzetten om langs omhoog te klauteren.

