In deze serie interviews spreek ik met kinderfilosofen over de hele wereld over hoe zij ooit begonnen. Deze keer ben ik zelf aan de beurt. Met dank aan Judith Wagensveld van Filosoferen op school die me hiervoor vroeg.
door Judith Wagensveld
Begin maart ontmoet ik Paulien Hilbrink in de Hortus Botanicus in Leiden, de oudste botanische tuin in Nederland, aangelegd in 1590 achter de universiteit aan het Rapenburg. Het historische academiegebouw contrasteert wondermooi met het ontluikende groen, de lente die op losbarsten staat in de tuinen. Cultuur en natuur, het oude en het nieuwe – het past goed bij de aanleiding tot het gesprek met Paulien. Zij zal na acht jaar de meeste van haar werkzaamheden bij het Centrum Kinderfilosofie neerleggen, omdat het tijd is voor iets nieuws. Ze vervulde vele rollen: in het bestuur als voorzitter, in de evenementencommissie, in de organisatie van de Dag van de Kinderfilosofie en als redacteur van de nieuwsbrief. Alleen in die laatste rol blijft ze voorlopig nog actief en werkt ze momenteel aan een serie interviews met kinderfilosofen over de wereld rondom de vraag ‘Hoe begin je?’’
Hoe ben je zelf begonnen?
Ik denk dat ik het altijd al filosofeerde. Ik dacht overal over na, zag alles, ik kon voorspellen hoe dingen zouden gaan. Als volwassenen me probeerden uit te leggen hoe iets in elkaar zat, verbaasde ik me ondertussen over de manier waarop ze dat deden. Ik luisterde op een meta-niveau naar de mensen en hun verhalen. Zelden werd ik echt aan het denken gezet. Maar àls ik aan het denken was, dook ik daar ook helemaal in. Dan wilde ik steeds meer weten, lezen, begrijpen, anderen spreken die daar ook over wilden nadenken.
Ik volgde de Pabo en stond vervolgens voor de klas. Daar was ik het liefst in gesprek met de kinderen. Ik probeerde ze in een soort ‘huh?!-stand’ te krijgen, een verwarring die nieuwsgierig maakt. Als dat lukte, was mijn dag goed. Toch stopte ik rond mijn dertigste als leerkracht. Ik vond het onderwijs te opbrengstgericht en teveel vanuit methodes gestuurd. Ik ging filosofie studeren en daarmee begon een tweede leven. Ik was net moeder geworden, de echte metamorfose. Ik betrok het filosofische denken op mijn denken over moederschap, over opvoeding en over onderwijs.
Na mijn studie werd ik gevraagd om op de school van mijn kinderen te filosoferen. Dat vond ik aanvankelijk een gekke vraag. Maar door erover te lezen bij Nanda van Bodegraven, en geïnspireerd door verhalen van Toon Tellegen, durfde ik de uitdaging aan. Ik denk dat ik in die eerste lessen heel sturend was, maar wel altijd nieuwsgierig naar hoe de kinderen dachten en hoe ik dat kon stimuleren. Ik begeleidde het gesprek vrij intuïtief. Om het beter in de vingers te krijgen ben ik de opleiding Kinderfilosofie bij ISVW gaan doen. Ik vond het zo’n bijzonder vak, anders dan alles wat ik in het onderwijs was tegengekomen. Tegelijkertijd kon me voorstellen dat dit niet zomaar door het onderwijs zou worden omarmd. Ik kende ook niemand die dit deed. Daardoor vroeg ik me al snel af of er een beroepsvereniging bestond. Ik kon me geen voorstelling maken van hoe ik hier in mijn eentje mee verder moest.
Ben je van nature een netwerker?
Al tijdens de opleiding heb ik het initiatief genomen om met de mensen die ik daar ontmoette een soort netwerk te vormen en drie keer per jaar iets te organiseren. In diezelfde periode werd voor het eerste een rondetafelbijeenkomst georganiseerd door het Centrum Kinderfilosofie, onder leiding van Nanda. Ik was erbij en ontmoette daar onder andere Sylwia Falinska en Wouter Belier. Het viel me op dat Nanda alles zelf deed, regelde, organiseerde. Ik dacht: die kan wel wat hulp gebruiken. Voor ik het wist was ik redacteur van de nieuwsbrief en de website. En daarna volgde de evenementencommissie. Zo rolde ik overal in.
Er kwamen steeds meer mensen bij, die stuk voor stuk een belangrijke rol speelden in het vlot trekken en vaart geven aan het Centrum als beroepsvereniging, zoals Jan-Bram de Luit, Esther Didden en Sanne van Niel. Door ieders inbreng en kwaliteiten professionaliseerde het netwerk.
Waarom is zo’n netwerk van belang?
Tijdens de bijeenkomsten die we organiseren vinden de deelnemers het ’t leukst om andere kinderfilosofen te ontmoeten. Er ontstaat kruisbestuiving, samenwerking, uitwisseling. Ik merkte vanaf het begin dat iedereen dezelfde vragen heeft: over de praktijk in de klas, over werkvormen, over ondernemen. Het geeft moed verhalen van anderen te horen, over wat lukt. Daarom hebben we bijvoorbeeld ook het initiatief genomen voor de regionetwerken. Zodat mensen met elkaar kunnen sparren, samen kunnen reflecteren op het werk dat zij doen.
Het is een klein werkveld. Kinderfilosofen zijn dun gezaaid.
Ja, maar al die druppeltjes samen vormen een stroompje. Het geeft inspiratie om elkaar te ontmoeten, meer dan wanneer je iets leest over het vak. En in feite hebben we een gemeenschappelijke missie. Een gemeenschappelijke strijd tegen de elementen: het onderwijssysteem, de materialen, het contact met de opdrachtgevers, de voorbereiding en uitvoering. Het is allemaal bewerkelijk en het is goed om dat niet alleen te hoeven doen.
De momenten waarop we mensen bij elkaar brengen, nu zo’n zes keer per jaar, vind ik eigenlijk te weinig. Niet iedereen is daarbij, en je bent altijd afhankelijk van het programma dat het Centrum heeft bedacht. Daar hebben de leden natuurlijk invloed op, maar er bestaat veelal het idee dat er een ‘wij’ en een ‘zij’ is: het Centrum versus de kinderfilosofen en opleiders. Dat is natuurlijk niet zo, we moet het samen doen. Sommige leden reageren op de nieuwsbrief of het programma-aanbod en laten weten wat zij hoe wat wij doen resoneert. Dat helpt enorm..
Denk je dat het Centrum een rol heeft gespeeld in het wij-zij-denken? Er zijn immers aanvankelijk duidelijke kaders neergezet, over wat en wie er wel of niet bij hoorde.
Ja, dat onderscheid hebben we zeker gemaakt, ik zelf ook. Maar dat had er alles mee te maken dat ik nog niet echt goed wist wat het was. Ik voer ook maar op wat ik had geleerd. Maar de grap is: hoe vaker je met kinderen filosofeert, hoe beter je jezelf leert kennen – als gespreks-begeleider, maar ook als mens. De vraag of ik het wel goed genoeg doe, blijft altijd. Het onderscheid dat we maken met de beroepsstandaarden heeft het doel om te informeren over wat kinderfilosofie is en wat kinderfilosofen kunnen. Dat lijkt me een prima functie van een platform als het Centrum. Sommige mensen denken dat het filosofische gesprek iets is wat je kunt verkopen: aan organisaties en bedrijven, op een heidag. Maar kinderen verkoop je niet zomaar wat..
Bedoel je dat het filosoferen met kinderen vereist dat je authentiek bent?
Ja, absoluut! Je moet oprecht geïnteresseerd zijn in wat zij denken. Als je hun denken niet centraal zet, dan gaan ze klooien, de grenzen opzoeken. En terecht. Of ze zeggen niks en wachten braaf tot jij zegt wat je van ze verwacht. Dankzij de kinderen krijg je het beter in de vingers en weet je steeds beter wat je te doen hebt, wat je moet laten, wat je extra moet geven. Daardoor ga je ook anders kijken naar wat kinderfilosofie is, naar wat filosoferen is.
Heeft je werkervaring je blik op het werkveld verruimd?
Toen ik net van de opleiding kwam, was ik heel streng in de leer. Daar werd duidelijk gezegd: dit is het wel en dit is het niet. Het motto in onze intervisiebijeenkomsten was daardoor ook dat we alleen mensen van ons niveau wilden toelaten. Inmiddels is het landschap van de kinderfilosofie steeds groter en gevarieerder. Dat maakt het voor degenen die het werkveld bij elkaar proberen te houden belangrijk om helder te blijven zien wanneer iets nog filosofisch is en wanneer niet. Want die grens is er gewoon. Gesprekken met vakgenoten en de beroepsstandaarden zorgen ervoor dat je die beter herkent. Het moment waarop een gesprek of activiteit filosofisch wordt, dien je als kinderfilosoof te herkennen. Als je een product of materiaal ontwikkelt en je wilt dat filosofisch noemen – in de zin dat je het denken van kinderen serieus neemt en daarmee kunt spelen – dan dien je dat goed in te bouwen. Je moet daarmee de gelegenheid tot filosoferen creëren. Sommige materialen zijn mooi gemaakt, maar gaan in feite ten koste van de kans dat er gefilosofeerd wordt. Je moet begrijpen wat je doet.
Daarnaast moet je als kinderfilosoof aan de slag blijven. Ik heb zelf een tijd niet gefilosofeerd met kinderen, eigenlijk vond ik mezelf wat dat betreft een waardeloze voorzitter voor het netwerk. Ik ben er net weer mee begonnen.
Kan je vaardigheid om te filosoferen roestig worden?
Ja, dat kan zeker. Het scheelde dat ik samen met Ilse Daems aan een boek heb gewerkt in de afgelopen jaren (Nooit te klein om groot te denken, uitgeverij Boom, verschijnt in oktober 2026). Dat zorgde voor een verdiepingsslag in mijn verbeelding van wat kinderfilosofie allemaal kan doen en zijn. Ik kreeg er ook echt weer honger naar, ik wilde zelf weer aan de slag met kinderen. Dus nu sta ik weer met m’n poten in de modder.
Je moet kinderfilosofie doen, je moet het ervaren. Als je alleen praat over wat filosoferen is, als je het probeert uit te leggen, sla je eigenlijk altijd de plank mis. Of zoals Prince over funk zei: ‘If you can describe it, it ain’t funky.’
Ik heb van jou de indruk gekregen dat je gedrevenheid in de kinderfilosofie te maken heeft met de wens om iets te veranderen in het onderwijs. Klopt dat?
Ik ben een website gestart, Gezouten geluiden, om mensen in het onderwijs te bereiken die net als ik de wens hebben om het anders te doen. Het is een uitnodiging om daarover te praten, er samen over na te denken. Want in een gesprek met mijn collega’s op de Hogeschool voor Toegepaste Filosofie realiseerde ik me pas dat filosoferen pedagogiek is. Dat komt zeker ook door het boek dat we schrijven. Ilse heeft het zo opgeschreven dat je het kind hoort praten en dat je je voorstelt hoe het is om te filosoferen. Ik las het manuscript met de verwonderde blik van een buitenstaander. Soms kon ik me niet meer voorstellen dat wat daar beschreven stond, echt door kinderen is gezegd. Terwijl ik weet dat dat kan, het gebeurt tijdens het filosoferen. Je vergeet het als je met je volwassen verantwoordelijkheden bezig bent. Door me in hun hoofdjes te verplaatsen, en door hoe ze me aan het denken zetten, realiseer ik me dat we hun denken radicaal serieus moeten nemen. Op die manier is filosoferen pedagogiek – als we kinderen laten merken dat we hen als gelijkwaardige denkers beschouwen. Ik zou willen dat elke leerling op school dat ervaart.
Toen ik net begon dacht ik nog dat ik wist hoe de wereld is en hoe die moet zijn. Dat wilde ik graag overdragen aan kinderen. Nu denk ik: ik weet helemaal niet hoe de wereld moet zijn. Ik moet naar kinderen kijken om het te begrijpen. Naar jongetjes in Palestina, met gebalde vuisten en tranen in hun ogen – in hun ogen lees je hoe de wereld is. Die kinderen vertellen ons wat wij, volwassenen, te doen hebben. Dat betekent niet dat zij de regie voeren, maar wij hebben een verantwoordelijkheid om naar hen te luisteren – om te begrijpen waar we naartoe moeten. De vraag die me nu bezig houdt is: wat betekent het om de volwassene te zijn als je met kinderen filosofeert.
Is dat waarom je filosofeert, om de wereld te begrijpen?
Ja, de wereld, jezelf en de ander. Om je blik te openen en te verhelderen. Net als je gevoel. Daarvoor moet je bereid zijn als volwassene het kind in jezelf te herkennen, het kind dat je was. Je voor de geest halen waar je van droomde als kind, hoe je het vond om voor het eerst in een achtbaan te zitten, en dat je nog zoveel vragen had. Als je voor de klas staat maar daar niet over na denkt, verspil je ieders tijd.
Geloof je dat kinderfilosofie noodzakelijk is voor echte verandering in het onderwijs?
Gek genoeg heb je het dan eigenlijk over de leerkrachten en docenten zoals ikzelf die die revolutie moeten veroorzaken. Dat kinderen gaan filosoferen is het niet het ingrediënt van de revolutie, zij doen dat van nature al. Maar wel dat leerkrachten daartoe bereid zijn. Dat wij onderzoekende vragen die de grenzen van allerlei kaders overschrijden, durven toelaten. Dat vraagt een radicale omwenteling van veel leerkrachten, van Pabo’s, van schoolbesturen.
Dus door te filosoferen in het onderwijs nodigen we leerkrachten uit om ook weer zelf na te denken, buiten de methodes om.
Precies. In die zin geloof ik dat filosoferen bijdraagt aan een revolutie in het onderwijs – dat het essentieel is. Mijn hoop is daarom dat meer mensen gaan filosoferen. Maar die hoop wordt een beetje ingedamd door uitgeverijen die filosofie implementeren in bestaande methodieken. Als je dat doet, begrijp je nog steeds niet wat het is – wat het van de leerkracht of gespreksbegeleider vraagt. Het lijkt een kans, maar het slaat de plank mis als je als leerkracht niet bereid bent om het echte denken toe te laten in je klas. Als je filosofische vaardigheden als argumenteren, redeneren en kritisch denken oefent in je klas, wil dat niet zeggen dat je kinderen ook echt vrij laat denken. Vrije denkruimte is in die methodes niet gegarandeerd en wordt ook niet bevraagd.
Er is een onderzoek gedaan in Vlaanderen (door Kaatje Franken, zie hier voor meer informatie) waaruit blijkt dat leerkrachten die gaan filosoferen – nadat zij een opleiding hebben gevolgd – vooral behoefte hebben aan collegiale consultatie. Ze willen met elkaar in gesprek blijven over het filosoferen. Dat tekent de essentie: het is niet begrensd door ruimte en tijd, door een vakdocent of een lesopzet. Het is er – als het goed is – altijd. De filosofische verwondering moet overal kunnen stromen. Dan maak je het radicaal. En dat betekent niet dat je bij elk vak moet filosoferen, of dat de filosofische dialoog de kern is van al het onderwijs. Maar wel dat je wendbaar bent, van onderwijzen naar filosoferen en terug – dat het onderwijs en de leerkracht minder begrensd zijn door allerlei eisen, tijdsdruk en leerdoelen. We hoeven niet elke dag te filosoferen. We moeten ons wel elke dag afvragen: ‘Wat hebben kinderen hier te doen en wat heb ik dus te doen?’
Wat betekent dat voor jou? Wat heb jij te doen?
Het huidige bestuur van het Centrum wil vooral consolideren en behouden wat we hebben opgebouwd, de kwaliteit bewaken. Dat begrijp ik goed en het is belangrijk, want het zijn onbezoldigde taken waar mensen vaak maar een deel van hun tijd aan kunnen besteden. Zelf voel ik dat ik verder wil. We moeten alle stappen in onze revolutie zelf zetten. Als je beseft dat de eindelijk kar rijdt, is ‘ie al aan het afremmen. Ik wil kijken naar wat er nog meer kan en mogelijk is op de wegen buiten het centrum, in de rafelranden.
Heb je al nieuwe wegen ontdekt?
In juli 2025 heb ik besloten mijn taken af te bouwen bij het Centrum. Daarna was het eigenlijk best een lastige tijd. Ook privé veranderde er van alles, allerlei dingen kwamen aan het kantelen, er gebeurt veel in de wereld. Dan vind ik het lastig om een richting te vinden. Nu ben ik eindelijk weer een beetje boven komen drijven. De werkzaamheden rondom het boek zijn lekker op stoom. En er komen allerlei vragen mijn kant op. Mensen vragen me voor werk, voor lezingen, voor trainingen. Bijvoorbeeld over filosofie in het MBO. Heel leuk en interessant, het een leidt tot het ander. Dat is anders dan voorheen. Ik heb van alles gedaan de laatste jaren, bij het Centrum, op de Hogeschool voor Toegepaste Filosofie, in projecten als MaakTaal. Daar was ik vaak een aanjager, nu komen de dingen naar mij toe. Het voelt alsof mijn werk momentum heeft.

