Home » Artikelen » Niets doen

Niets doen

Op een snikhete dag tijdens een kurkdroge zomer stond ik met mijn man en dochter bij een paar modderpoeltjes. Normaal gesproken was er op deze plek een mooi vennetje, maar daarvan was nu geen sprake meer. De niet aflatende zonneschijn had hard zijn best gedaan al het water ‘in rook’ op te laten gaan. Nou, dat was dus duidelijk gelukt.

Het is gewoonlijk best een flink ven, midden in een zandverstuiving, midden in het bos. Langs de bosrand staan bomen die zó lijken weg te wandelen, op grote voeten van wortels die helemaal bloot zijn komen te liggen. Net zoals de Ents van “The Lord of the Rings”. Onder de gebruikelijke omstandigheden barst het in en rond het water van het leven: kikkers, groot en klein, salamanders, schrijvertjes en schaatsenrijders (de twee laatst genoemden niet in menselijke gedaante)….

Maar nu was de aanblik dramatisch. In de prut spartelden wat beestjes. Zelfs in de avond stond de zon nog steeds te bakken. De prut was daardoor hartstikke warm, veel te warm voor diertjes die in de koelte van het water thuishoren. Er was slechts één iets groter poeltje, met een beetje meer water. Dat stelde helaas ook niet echt veel voor, maar het was wel duidelijk dat dit modderbad pas als laatste helemaal zou opdrogen.

Mijn dochter bedacht zich geen moment. Ze ging bijna maniakaal aan de slag in een poging zo veel mogelijk diertjes te redden, door ze in een kommetje van haar handen op te scheppen en te verhuizen naar het grootste poeltje. Ze werkte vlug en onvermoeibaar, intussen hoopgevende woorden sprekend tot al die wondertjes van leven.

En ik deed niets.

Ik stond erbij en keek ernaar. Het was niet dat dit tafereel mij koud liet, nee, mijn brein raasde op volle toeren. Gedachten en vragen vol van tegenstrijdigheden buitelden over elkaar heen. Ik kon op dat moment niet zo snel orde scheppen in mijn gedachtenkronkels.

Volgens het weerbericht zou het voorlopig nog altijd niet gaan regenen. Moest ik mijn dochter waarschuwen dat je soms niet kunt voorkomen dat iets afschuwelijks zich toch voltrekt? Dat dit de weg van de natuur is? Ik zou het vreselijk gevonden hebben als ze, ondanks haar grote inzet, later zou zien dat er alleen nog wat verschrompelde, uitgedroogde beestjes zouden liggen, in een gortdroge klei-achtige korst. Kon ik haar niet beter leren dat het soms goed is om niets te doen, het op zijn beloop te laten, in de trant van Wu Wei? Dus niet actief ingrijpen maar meedobberen op de golven van wat er al is en vanzelf gebeurt? Of was ík het juist die mee moest op de golf die mijn dochter hier zo lief en vanzelfsprekend in beweging had gezet? Haar bijstaan in haar vechtlust (die ook een vleugje radeloosheid bevatte), zelfs als dit tegen beter weten in zou zijn?

Nog altijd voel ik schaamte als ik terugdenk aan dat er zelfs zo’n stompzinnig argument door mijn hoofd schoot als “We hebben hiervoor helemaal geen tijd, het is nu al later dan de bedoeling was en ik moet hoognodig gaan koken!”. Gelukkig verfoeide ik die gedachte direct al en heb ‘m gauw de kop weten in te drukken (of beter: ik wist de gedachte uit mijn kop te drukken), en heb mijn mond gehouden.

De dagen erna bleef deze scene zich voor mijn ogen afspelen. Het liet me niet los. Mijn lieve, handelende, met de dieren begane dochter, die dit helemaal alleen had staan doen. Zonder enige twijfel kwam zij in actie. Ik was zo trots op haar. Haar intuïtie vertelde haar dat het minste wat zij kon doen, was probéren de diertjes een kans te geven, dus deed ze dat. Punt. En ik met een ontploffend hoofd vol wirwar-argumenten ernaast. Ik voelde dat ik niet goed gehandeld had. Ik had haar een voorbeeld gegeven dat ik absoluut niet had willen geven….dat van een onverschillige. Ik moest nu hard gaan nadenken om uit te vinden wat ik wél had willen doen. En waarom precies.

Was ik dan toch zo’n afschuwelijke volwassene geworden waarvan ik als kind dacht: “Hoe is het mogelijk dat er zoveel in de wereld niet goed gaat, maar dat iedereen gewoon ongeïnteresseerd op zijn krent blijft zitten? Waarom staat men niet allemaal tegelijk op om te protesteren?” Ik weet niet meer of ik toen het woord ‘onverschilligheid’ al kende, maar terugdenkend is dát waaraan ik de grootste hekel had in mensen: onberoerd blijven, niet betrokken zijn.

Was ik onverschillig geweest? Eerst dacht ik met schrik van wel, maar bij nader inzien was het dat niet. Ik heb door mijn leven heen juist zo veel over dit onderwerp nagedacht, dat het te complex geworden was om nu in één kort moment te overzien hoe ik mij tot deze specifieke situatie moest verhouden. Mijn hekel aan (een houding van) onverschilligheid had mij een hele weg doen bewandelen om het fenomeen te snappen en te kunnen hanteren. Want ik kreeg als kind al een ontzettend machteloos gevoel van het feit dat oorlog, onrecht, ongelijke verdeling of behandeling, armoede et cetera überhaupt bestonden (en altijd nog bestaan). En van dat mensen hiertegen niet massaal in opstand kwamen. Ik hoorde in mijn hoofd regelmatig het zinnetje “Ik wil hier niet bij horen!”. En dan bedoelde ik bij de mensheid. Vervolgens ben ik op allerlei manieren bezig geweest mij te proberen te verweren, zodanig dat ik hier beter tegen zou kunnen en dit mij niet de moed in de schoenen deed zinken. Graag wilde ik leren handelen in lijn met wat mij een verbetering voor de wereld leek. En daarmee het gevoel van lamgeslagenheid overstijgen.

Zo heb ik bijvoorbeeld met hart en ziel in een asielzoekerscentrum gewerkt. Maar wat ik daar moeilijk bleef vinden, was dat ik het gevoel had dat mijn werk niet meer was dan een druppel op een gloeiende plaat. Conflicten raasden maar door, er ontstonden er steeds meer…. Het helpen van individuen is belangrijk, maar ik ging het steeds belangrijker vinden om te proberen naar ‘de basis’ te gaan, aan de fundamenten te sleutelen. En de manier om dat te doen, zodanig dat dit paste bij wie ik ben, was om de jeugd te helpen zich actief tot de realiteit te verhouden, door er gezamenlijk stevig over na te denken. En dat in verbondenheid met elkaar én met de eigen gevoelswereld.

Dus ben ik uiteindelijk gaan filosoferen met kinderen: vanuit de gedachte dat als ik aan ‘de fundamenten van de samenleving’ zou werken aan de hand van échte, relevante onderwerpen, zij niet onverschillig zouden kunnen blijven.

Daarnaast, om in de wereld te kunnen blijven staan, hielp het mij om mijn levenshouding bij te schaven en te streven naar meer ‘zen’: niet tevergeefs proberen van alles te veranderen als de beoogde veranderingen waarschijnlijk niet eens binnen mijn invloedssfeer lagen. Dus: werken dichtbij de bron, en verder juist meedeinen op de golven van het leven, voor minder worsteling en meer gemoedsrust, want dat kan ik over het algemeen goed gebruiken.

De grote fout die ik maakte bij het verdampende vennetje, was dat ik inmiddels zó gefocust was op ‘de basis’ en ‘meedeinen’, dat direct ingrijpen in een acute situatie me ineens futiel voorkwam, al te meer omdat ik verwachtte dat de geboden hulp geen kans van slagen zou hebben. Maar mijn dochter heeft mij een enorme wake up call gegeven: ook zij wist niet of het bijtijds zou gaan regenen. Waarschijnlijk zou het dat niet. Maar er was toch altijd een kansje en daarom schoot zij in actie.

Twee dagen later regende het. We gingen terug naar de modderpoel die weer een (zeer bescheiden) vennetje was geworden, en daar zwommen de kikkervisjes, kikkertjes en al hun andere poelgenoten. Ze hadden het gered.

Ik heb mijn dochter verteld over de denkfout die ik had gemaakt en waardoor dat zo gekomen was. En dat ik mij schaamde. Vervolgens heb ik haar bedankt voor haar zorgzame, betrokken hart en het voorbeeld dat zij mij gegeven had.

Al snel daarna kreeg ik de kans om ‘het goed te maken’. En die greep ik. Mijn dochter en ik wandelden door het Vondelpark toen we midden op het fietspad een stervend ratje zagen liggen. Het was een tijdstip met veel verkeersdrukte: talloze fietsers zoefden langs de arme, hulpeloze rat. Niemand stapte af, iedereen scheurde verder. Het was voor ons duidelijk dat deze rat het hoe dan ook niet zou redden; hij leek vergiftigd of heel ziek te zijn. Het diertje gedroeg zich alsof het niet meer wist was onder of boven was, kon zich alleen nog een heel klein beetje slepend voortbewegen. Hij moest totaal in paniek zijn geweest in deze toestand waaraan hij zich op geen enkele manier kon onttrekken. Wat een afschuwelijk einde.

“Mama, ik durf hem niet te op te pakken, maar zo mag hij niet sterven.”, zei mijn dochter. Ik zei dat ik het ook niet durfde, maar dat we hem niet aan zijn lot zouden overlaten. Althans, ik beloofde haar dat we een manier zouden vinden om hem naar een rustig plekje te brengen om te sterven zonder overreden te worden. Want het bellen van de dierenambulance leek ons een kansloze onderneming in hartje Amsterdam waar men ratten juist verdelgt. Na even zoeken, vonden we een stuk karton en het lukte me om het ratje er op te schuiven. Het leek net alsof het diertje wist dat wij hem hielpen: in plaats van nog banger te worden en zich te verzetten, leek hij dankbaar op het karton te kruipen. We waren er ontroerd van. Hij had zo’n lief snuitje! We legden hem zachtjes onder een haagje en zegden hem vaarwel. Nog altijd als we daar fietsen, denken we vanzelf weer aan ratje.

Door deze geschiedenis besefte ik dat ik beide moest doen: zowel aandacht schenken aan de wortels van de samenleving (als dat al mogelijk is, maar het is in ieder geval het proberen waard) als aan de gloeiende plaat waarop die druppels misschien maar eventjes helpen. Ik ben naast het filosoferen in een woonzorgcentrum (verpleeghuis) gaan werken. Een sector waar een dramatisch tekort is aan arbeidskracht. Voor liefde en aandacht is weinig tijd, ondervond ik op indringende wijze toen mijn moeder in een verpleeghuis belandde. Maar juist dát wil ik komen brengen. Nu pas merk ik dat precies dit nodig was om mijn persoonlijke weegschaal in evenwicht te brengen: iets meegeven aan het begin van het leven, en ‘er zijn’ aan het einde ervan.

Wat kunnen wij volwassenen veel (her)leren door het pure, directe denken en handelen van onze kinderen te beschouwen, en te erkennen wat voor goeds dit de wereld brengt.

En wij, kinderfilosofen en alle anderen die denken en onderzoeken met kinderen belangrijk vinden, zouden op onze beurt kunnen proberen samen met hen te onderzoeken wat ‘niets doen’ is (bestaat dat eigenlijk wel?), en wat er zoal ten grondslag kan liggen aan deze veel voorkomende neiging. Niets doen kent immers vele bronnen en het kan interessant en/of nuttig zijn om die te verkennen. Denk bijvoorbeeld aan niets doen uit overtuiging of bewuste keuze (zoals Wu Wei), luiheid, verwarring, onmacht, onnozelheid, afgehaakt zijn, onbegrip, verveling, gewoonte, volgen van een voorbeeld, desinteresse, desillusie, onhandigheid, verkeerd voorgelicht zijn, apathie, gebrek aan verantwoordelijkheidsgevoel of moreel besef, gemakzucht, denken dat je niet mag protesteren, gebrek aan kennis of kunde, angst….et cetera.

Want op het moment dat we begrijpen waar een gedraging (of het achterwege blijven ervan) vandaan komt, helpt dit ons hopelijk om ons niets-doende-zelf en de niets-doende-medemens te doorgronden. En dan snappen we wellicht beter hoe we wél tot actie kunnen komen….indien gewenst natuurlijk.

Met dank aan Itziar, die mijn ogen weer eens extra heeft geopend.

Geschreven door:

Doenja Heemsbergen

Denkkrachtcentrale
Meer artikelen uit dit dossier:
Sorry, No posts.
Share This