Verslag van Masterclass met Pieter Mostert: nieuwe vormen voor filosofiepraktijk

Pieter Mostert gaf een masterclass op 8 en 9 februari 2020. Deze was mogelijk gemaakt in samenwerking met de Vereniging Filosofische Praktijken en het ISVW. Mostert (1952) is onder meer verbonden aan Het Nieuwe Trivium. Hij is een echte ontwikkelaar van nieuwe vormen om het filosoferen in praktijk te brengen. Gerard Kooijmans en Fred Delhaas maakten een verslag van deze tweedaagse in Leusden.

In dit verslag worden een aantal onderwerpen voor het voetlicht gebracht. Hieronder vind je het overzicht.

  • De laatste internationale ontwikkelingen op onderzoeksgebied;
  • Het belang van het onderscheiden van de verschillend filosofische gesprekstypen;
  • Hoe we ook tijdens het dialectisch proces gebruik kunnen maken van retorica;
  • Hoe je FmKJ kunt inzetten in een compleet vastgelopen groepsdynamiek;
  • Hoe je kinderen op nieuwe gedachten kunt laten komen
  • Tips voor het opstellen van jouw persoonlijk manifest.

INTERNATIONALE ONTWIKKELINGEN

 Mostert schets drie ontwikkelingen:

  1. Onderzoek is geen randverschijnsel meer, maar essentieel om het bestaansrecht aan te tonen.
  2. Er wordt een beroep gedaan op FmKJ tot activisme.
  3. De vraag rijst of filosoferen het hanteren van een toolkit vereist.

Ad 1. Onderzoek dat het bestaansrecht van FmKJ aantoont

Eerder lag de nadruk op onderzoek naar de praktijken: wat is de bijdrage van FmKJ aan andere vakken? Nu gaat het meer om het onderzoek naar het effect op de cognitieve vaardigheden. Het onderzoek dient om bestaansrecht en erkenning voor het vak FmKJ te krijgen. We moeten er de zinvolheid van FmKJ mee aan tonen.

Er wordt volgens Mostert weinig onderzoek gedaan naar de kwaliteit van het filosoferen met kinderen. Er is daarentegen wel veel onderzoek naar de legitimiteit van FmKJ. Het betreft onderzoek naar de effecten op onderwijs en nog algemener: waar is het goed voor?

Je kunt vragen stellen naar de betrouwbaarheid van onderzoek naar de kwaliteit van FmKJ. Het is namelijk heel moeilijk om te zeggen, waardoor het effect van FmKJ is ontstaan. Double blind (met controle groep) wordt sowieso nooit gedaan en is ook niet werkbaar. Hoe generaliseer je nu de bevindingen? Hoe doe je dit op betrouwbare wijze? Welke modellen gebruik je hiervoor? Hoe meet je het effect en veranderingen? Hoe is de verbetering gedefinieerd? Antwoorden op deze vragen dienen de legitimiteit van wetenschappelijk onderzoek naar de kwaliteit van FmKJ. Het onderzoek zou eventueel ook hermeneutisch kunnen zijn: hoe kunnen we FmKJ verstaan?

Waar eerder inhoudelijk de nadruk op de cognitieve skills voor andere vakken lag, ligt de nadruk nu meer op de logische vaardigheden. De conclusie luidt meestal dat je er beter van gaat nadenken. Logisch redeneren er argumenteren leveren ook een bijdrage voor burgerschap: community skills. Hier zit ook het geld.

Het probleem is wel steeds: hoe operationaliseer je dit onderzoek? Wat is belangrijk: gedragsverandering? Denkbewegingen kunnen maken? Tevredenheid? Filosofische competenties? Wie bepaalt de categorieën en wie bepaalt wat bepalend is? Kortom, er valt hier nog veel met elkaar over na te denken!

Onderzoeksvragen naar de theoretische achtergronden van FmKJ zijn ook interessant, maar die zijn er weinig. Onderzoek als dat van Pablo Muruzábal Lamberti (www.muziekenethiek.com) legt een interessante lacune bloot in de theorie van FmKJ: Hoe beïnvloedt luisteren het spreken?

Ad 2. FmKJ en activisme

Je kunt zelf ook argumenten bedenken waarom FmKJ het onderwijs in moet. Het argument van voicing bijvoorbeeld: mensen een stem geven. Lees hierover ook Philosphy and Community van Grace Lockrobin.

Scholen spelen hier een belangrijke rol in, omdat het filosoferen binnen bestaande gemeenschappen afneemt; gemeenschappen vallen uit elkaar. Omdat filosoferen in verband wordt gebracht met gedragsverandering, met het doen, wordt er ook binnen het activisme beroep opgedaan bijvoorbeeld als het gaat om het klimaatdebat. Van FmKJ-ers wordt dan weleens verwacht het niet bij praten te laten. Hiervoor is FmKJ alleen nog niet goed genoeg gedefinieerd. In hoeverre moeten we ook aan de actieve kant bezig zijn? Andersom kan een goed filosofisch gesprek in de klas wel leiden tot het aanpassen of het opstellen van bepaalde schoolregels.

Zie in dit verband ook Hannah Arendt die betoogt dat mensen van Vita Comtemplativa naar Via Activa zouden moeten bewegen. Mostert noemt in dit verband ook het proefschrift van Jeroen Van Waveren: Burgerschapsonderwijs en de leerkracht binnen het speelveld van de pedagogiek en politiek.

Ad 3. Filosoferen met jongeren: het hanteren van een toolkit?

Er is een beweging zichtbaar binnen FmKJ van filosofische inhouden naar skills. Bijvoorbeeld het hanteren van argumenten, en dan met name logische argumentatie en het komen tot de juiste gevolgtrekkingen. Weet dat er twee typen argumenten er zijn: dialectische en retorische (Aristoteles).

Het voordeel van het werken aan de hand van een toolkit, zoals die van Philip Cam, [maar ook bijvoorbeeld de 18 Denkstappen van Nanda van Bodegraven ] is dat de effecten makkelijker te kwantificeren zijn.

TYPE GESPREKKEN BIJ FMKJ

Mostert duidt op de variatie die er is in de vorm van filosofische gesprekken. Allen hebben een andere dynamiek en vereisen daarom een eigen gespreksleiding en een eigen manier van voorbereiden. Het is goed je bewust te zijn van de consequenties van je keuze. Hij noemt drie duidelijk te onderscheiden gespreksvormen.

A) De What if gesprekken of gedachtenexperimenten

De functie ervan is om een opvatting te toetsen die aannemelijk lijkt. Bijvoorbeeld: hoe zou het zijn als er geen regels zouden zijn? Gedachtenexperimenten kunnen echter heel snel vrijblijvend worden. Het is nadrukkelijk niet bedoeld om te testen wat kinderen denken.

Je moet eerst iets creëren dat je kunt testen, namelijk een  goed geformuleerde opvatting. In plaats van te beginnen met de vragen: zou je zonder regels kunnen leven? start je bijvoorbeeld met: Waar hebben we regels voor nodig? Het gesprek hierover zou kunnen leiden tot een hardnekkige opvatting. Denk aan de experience machine van Nozick. Die dient om het idee van ervaringsverheerlijking te testen.

Zo kies je bij een gedachtenexperiment steeds voor een hardnekkig, haast onwankelbare opvatting. Pas als je met je groep op zo’n opvatting bent gestuit, weet je hoe je gedachtenexperiment eruit moet komen te zien.

Het gedachtenexperiment is een mentaal testlaboratorium. Je voert de druk steeds hoger op om te zien of men nog bij de opvatting wil blijven.

Het vraagt om een specifieke manier van leiden. Je moet hard werken om het filosofisch te houden. Het is een leuke zoektocht om de harde opvattingen van kinderen te vinden. Het vereist bovendien een bepaalde fascinatie voor het experiment.

B) Socratische gesprekken

De functie van het socratisch gesprek is het onderzoeken van een concrete ervaring die iets zegt over de persoon en de situatie. Het voeren van socratische gesprekken is niet zo gebruikelijk bij FmKJ omdat je snel op privégebied komt.

Het gesprek vraagt om een zekere noodzaak om het erover te willen hebben. Er moet behoefte zijn om de rol van de persoonlijke ervaring en het concept te onderscheiden en uit te zoeken. Je moet de termen concreet maken, zoals in het volgende voorbeeld: “Ik voel me gediscrimineerd.” Discriminatie is te abstract. Dat ervaar je niet. Wel dat je niet wordt gezien of dat je niet mee mag doen. Waar leg je nu de nadruk: op de concrete ervaring of op het concept discriminatie? Je kunt het socratisch gesprek didactisch gebruiken om een voorbeeld te geven van discriminatie.

In het Socratisch gesprek moet je stoeien met het verdelen van de aandacht tussen de concrete ervaring en het veralgemeniseren van het probleem.

Het is lastig om zoiets in de klas voor te bereiden, want de les begint vaak met een stimulus van buiten, niet met een concrete ervaring van een kind waarbij het van belang is dat die algemeen geduid moet worden. Op zo’n spontane stimulus kun je je moeilijk voorbereiden.

Je moet het uitvragen goed beheersen om het geloofwaardig en filosofisch te houden.

C) Filosoferen over een klassieke vraag of concept uit de filosofie of over een filosoof

De functie van het filosoferen over een klassieke vraag of concept of over een filosoof is dat kinderen deze ideeënwereld leren verkennen. Je hoeft niet een uitgebreide inleiding te geven of een lange tekst. Een korte theoretische verkenning is voldoende.

Een volledige klassieke mythe leent zich juist weer wel voor deze ontdekkingstocht. Maar sloop niet de kern eruit. Hij noemt het voorbeeld van Daedalus en Icarus. Geeft aandacht aan de Minotaurus, laat ook de gaten zien. “Waarom is de waarschuwing van Daedalus niet conreet?”

Schep een sfeer zodat de filosoof bij jou aan huis aan tafel kan zitten en je hem kunt uitvragen. Bereid de kinderen voor op een ontmoeting met de filosoof, niet slechts gemedieerd door een tekst. Neem de leerlingen in de verbeelding mee naar de tijd en plaats. Je kunt dit doen door bijvoorbeeld een spannende aankondiging te doen voor de volgende les.

Stel vervolgens open, haast stamelende vragen: wat gebeurt hier? Wat snap je niet? Is dat niet raar dat hij dat zegt? Laat de verbeelding van het kind het werk doen. Het is een speurtocht, je kijkt samen rond. Je rafelt zo als het ware de concepten en het geschetste beeld uit elkaar, zoals je dat in een wetenschappelijk onderzoek ook doet.

Probeer de ideeën zoals die opgeschreven zijn echt te begrijpen. Als het te moeilijk wordt, zeg dan: dit leer je op de universiteit, maar ik doe het nu vast met jullie.

FILOSOFEREN OF DEBATTEREN?

Mostert legt het verschil uit tussen retorica en dialectica. Retorica is van oorsprong geen filosofie, maar de kunst van het overtuigen om gelijk te krijgen. Het wordt toegepast als techniek op het toneel en in de rechtbank. Hierover is bijvoorbeeld bij Aristoteles de theorie te vinden. Dialectica is de methode om vraaggeleid naar inzichten zoeken. Het is de basis van het filosofisch onderzoek. Er zijn geen leerboeken overgedragen uit de Griekse oudheid, behalve de boeken waarin Plato de dialectische praktijken van Socrates beschrijft. Toch zijn zijn latere praktijken meer retorisch van aard.

Het debat begint met een geënsceneerde zekerheid. Vervolgens ga je op zoek naar breuklijnen, interpretatieverschillen in die zekerheid. In een debat ga je opzoek naar de houdbaarheid van een stelling. Je bent ergens van overtuigd, maar hoe zeker is het wat je stelt? Aan het einde van het debat ben je dan van sommige dingen misschien minder zeker.

Je kan een filosofisch gesprek ook met een stelling beginnen, maar dan moet je het gesprek anders organiseren. Je hebt mensen nodig die de stelling willen verdedigen en anderen die deze willen aanvallen.

Een goede filosofische vraag is een vraag die je aan twee kanten wilt onderzoeken of beargumenteren. Dat veroorzaakt de wankeling. De filosofen wroeten in de onzekerheden, in de grijze gebieden. Een filosofische vraag verbrokkelt daardoor de zekerheid in de stelling. De oogst van vraag of debat kan zo hetzelfde zijn.

Een stelling moet je vaak eerst finetunen. Gebruik geen ontkenningen in een stelling, geen meestal, nooit, slechts, eigenlijk, soms en altijd. De criteria waarop je een stelling op metaniveau beoordeelt zijn bijvoorbeeld: is de stelling kort, rijk, beeldend, concreet? Wat is de kwaliteit van het belangrijkste werkwoord? Laat het werkwoord het werk doen. Een zelfstandig naamwoord verwijst naar de wereld zoals die is en is dus minder aan het wankelen te brengen.

FILOSOFEREN EN CONFLICT HANTEREN

Hoe ga je om met conflict? Naar aanleiding van een ervaring van Mostert over conflictbemiddeling deelde hij het volgende met ons:

 “Met deze klas valt niet te praten.” Bij een gepolariseerd conflict in een groep is er geen eigenaar meer van het gesprek. Alles is verhit, iedereen wordt slachtoffer. Er is geen beweging meer, geen nuance, alleen herhaling van zetten. Niemand heeft dit gewild.

Vraag je af of het conflict in het issue zit of dat het het resultaat is van de verhoudingen binnen de groep.

Je kunt nu nog een gesprek organiseren over het hebben van een conflict. Wanneer heb je nu een conflict en wanneer is er sprake van een meningsverschil?

“En omdat het plafond zo laag was, vroeg ik iedereen om sotto voce te spreken, dat hielp wel. Zo hebben de kinderen weer ervaren hoe het is om in zekere mate een gesprek te hebben.”

INVENTIO: HOE KUN JE BEWERKSTELLIGEN DAT KINDEREN OP NIEUWE GEDACHTEN KOMEN?

In het algemeen wordt aangenomen dat mensen weten wat ze denken.

In het filosofisch gesprek probeer je te achterhalen waarom mensen iets denken. Dat kan echter alleen als er al iets gedacht wordt. Op het idee van het zoeken naar nieuwe gedachten geeft Mostert ons twee perspectieven.

Leerlingen weten eigenlijk al wat ze denken.
Je geeft ze de gelegenheid om dit te uiten en vraagt hen naar de redenen en argumentatie, de onderbouwing en de houdbaarheid ervan. Het is een bepaalde vorm van verdediging. Dit lijkt een beetje op het proces in een rechtszaal. Het is een ponerend filosofisch gesprek.

Maar je hebt ook situaties, waarin kinderen niet zo goed weten, wat ze denken.
Hier zit veel rijkdom in. Je moet het in ieder geval waarderen. Organiseer een gesprek ook eens op basis van dit idee. Hoe zou je het zo kunnen organiseren dat kinderen meer vanuit het niet weten iets willen zeggen? Je kunt ook denken aan kinderen die niet uit hun woorden kunnen komen.

Nu heb je iets aan het idee van Cicero’s inventio: hoe nodig je anderen uit dan toch iets te zeggen. Je kunt de niet-weters aanmoedigen het gesprek te laten beginnen door ze te vragen het gewoon eens te proberen. Je kunt ze ook een zin laten afmaken. Of ze een situatie schetsen en vragen: Als je die situatie nu voorstelt, wat zou er dan gebeuren? Wat vind je daarvan? Of: als ik herhaal wat Ilse zei, hoe sta je daar dan tegenover? Je kunt twee standpunten aanbieden en vragen welke het meest aanspreekt. Of je start het gesprek met: “Vandaag geven we het woord aan degenen die het niet weten.” Andere tips zijn: maak kleinere groepen en leg tekenpapier op tafel, zodat kinderen die niet meedoen ook een tekening kunnen maken.

De niet-weters vertragen het denken van de snelle denkers. Het leidt tot het uitstellen van het innemen van een positie. Hierna durven meer kinderen positie in te nemen. Hier kun je bewust voor kiezen.

De techniek van inventio, op iets nieuws komen, volgens Cicero

Ga op zoek naar topoi: vindplaatsen.

Ga met je kinderen na, wat bronnen van ideeën en meningen zijn. Ga op zoek naar deze topoi. Brengen deze bronnen je op een idee? Met de kinderen sta je stil bij de kennis die er al ligt. Zo hoef je niet te wachten tot iemand een nieuw idee krijgt. Het is nadrukkelijk geen voorschrift waarnaar je op zoek bent, maar een raadpleging. Je gaat door bronnen te raadplegen op zoek naar het narratief: het verhaal achter het idee.

Voorbeelden:

  • je eigen mening (maar dat ligt voor de hand)
  • wat je van je ouders hebt geleerd/ gehoord
  • wat je van de geschiedenis hebt geleerd
  • wat je uit de literatuur weet/ verhalen
  • googelen/Wikipedia
  • de normen en de wetten van een land
  • zelf onderzoek doen: vraag het aan een grote groep mensen
  • je eigen vriendengroep
  • de autoriteiten: de imam, dominee
  • hoofdpersoon uit je favoriete boek. Wat zouden die ervan vinden?
  • de lege stoel waarop een vreemde gaat zitten die een heel ander standpunt of idee heeft.

Onderzoek de verisimilus: de aannemelijkheid

Je bent niet op zoek naar de waarheid, maar je kruipt zo dicht mogelijk tegen wat aannemelijk is. Het standpunt dat je aanneemt heeft alle hobbels die zijn veroorzaakt door de reacties erop, al genomen.

Dit doe je vooral in situaties waarin mensen het niet meer zo goed weten, of om een consensus of tegenspraak op te heffen . Je gaat weer nadenken over de vraag wat we hier nu eigenlijk aan het onderzoeken zijn.

Voorbeelden:

  • Ik wil erachter komen hoe het voor mij zit.
  • Ik zoek naar het meest overtuigende.
  • Ik zoek naar het meest vertrouwde.
  • Ik zoek naar het meest aannemelijke.

MAAK JE EIGEN MANIFEST

Een manifest maak je omdat je de wereld kenbaar wilt laten maken wat jij vindt dat er broodnodig moet gebeuren of veranderen. Dit was een heel goede oefening om te doen. Hoe ben jij nu overtuigd van het belang van FmKJ en hoe maak jij op overtuigende manier kenbaar? Een elevator pitch, maar dan anders.

Een goed manifest telt niet meer dan 35 woorden. Er zijn twee modellen:

A) Het persoonlijk manifest

  • Wat is jouw overtuiging?
  • Doe een reality check : “Ook waar is…..”
  • Wat moeten we nu doen?
  • Wat zijn de gevolgen daarvan / welke waarden zijn belangrijk?

B) Het zakelijk manifest, wat een meer instrumenteler doel dient

  • Formuleer jouw doel
  • Schrijf de manieren op om dat doel te bereiken
  • What’s in it voor alle betrokkenen. Wat hebben ze eraan?

Belangrijke tips:

Heel belangrijk is dat je goede werkwoorden gebruikt. Ook hier geldt: werkwoorden doen het werk. Het moet geen vervoeging van het werkwoord zijn.

Voor zelfstandige naamwoorden geldt dat ze zeggen wat iets is. Het brengt dus niet zoveel in beweging.

Wees trots op je beelden die je schetst. Wordt niet verliefd op het woord. Kies een perspectief van waaruit je dat woord kunt bekijken. Het loont bijvoorbeeld om wat je hebt geschreven in totaal andere termen op te stellen.

Pieter Mostert studeerde filosofie aan de Universiteit van Amsterdam. In 1988 promoveerde hij en momenteel is hij werkzaam bij Het Nieuwe Trivium, een scholingsinstituut dat klassieke filosofische disciplines toepast in de hedendaagse praktijk van management en organisatie.

Dank aan Pieter Mostert voor zijn bereidheid, gulheid en zijn zorgvuldigheid om met ons te leren. Dank ook aan de Vereniging Filosofische Praktijken en de ISVW – de Internationale School voor Wijsbegeerte, voor het mogelijk maken van een boeiende masterclass.

LITERATUUR SUGGESTIES

Voor literatuursuggesties van Pieter Mostert over gedachte-experimenten en hoe spreken in een andere taal van invloed is op moraliteit, kun je een mail sturen naar nieuwsbrief@kinderfilosofie.nl.