Recensie Boy 7 – Miriam Mous, door Max Theissen

Boy 7 is een jeugdboek dat Max Theissen recenseert in kader van het thema Worden wie je bent (Kinderboekenweek 2021). CKN vindt dat het elke week Kinderboekenweek moet zijn. Dat deze recensie na deze week verschijnt, doet niets af aan de urgentie van het thema. Dit spannende boek over moedige keuzes maken terwijl je geheugenverlies lijdt, beschrijft indringend de ervaring: ben ìk dat?

Recensie – Max Theissen


Je wordt wakker langs de kant van de weg tussen niets en nergens. Verward en met pijn in je lichaam zoek je naar antwoorden, maar de stem in je hoofd blijft oorverdovend stil: geheugenverlies. Je weet niet waar je bent, of hoe je daar terecht bent gekomen, je weet zelfs je eigen naam niet meer. Wat nu? In ‘Boy 7’ neemt jeugdschrijfster Mirjam Mous ons mee in het avontuur van Boy 7 op zoek naar zijn eigen verleden.

De opzet van het boek is niet alledaags, met niets dan een klein aantal aanwijzingen beginnen de lezer en Boy hun tocht op zoek naar een verklarend narratief. Het gebrek aan houvast slokt je al snel op in de amnesie van Boy; voor je het weet ben je zelf als symbioot-detective aan het proberen de eindjes aan elkaar te knopen, terwijl de pagina’s ongemerkt als warme boter door je vingers glijden. Helaas voor Boy (maar gelukkig voor de lezer) heeft Mous het verhaal complexer in elkaar laten steken dan valt op te lossen in de eerste bladzijden.

De ontwikkeling van de hoofdpersoon verloopt ook net iets anders dan normaal. In plaats van een welwillende ziel met latente talenten begint Mous met een tabula rasa wanhopig op zoek naar zijn verloren vaardigheden. Hoewel de parallellen duidelijk zijn, voegt de keuze met zo min mogelijk te beginnen een laagje intrige toe wat mist in je standaard jongen-gaat-op-avontuur verhalen. Naarmate de rechterzijde van het boek in omvang afneemt, maakt de verwarring van Boy plaats voor moed en intelligentie en die van de lezer voor zowel empathie als afkeer.

De abstracte tegenstander van Boy, ‘CorporationX’, blijkt naarmate het beeld concreter wordt een nieuwe clausule te hebben toegevoegd aan het ‘louche praktijken-hoofdstuk’ van Amnesty International. Gelukkig voor Boy laat de organisatie zo nu en dan een flinke steek vallen tijdens hun moreel dubieuze verhandelingen, wat hem ruimte geeft mentaal sterker te worden. Boy blijkt namelijk uitermate geschikt om keuzes te maken onder zware druk. Hij verrast zowel lezer als hemzelf regelmatig met zijn vindingrijkheid, al komt deze erkenning ook zijn oude/nieuwe kompaan toe.

Een paar minpuntjes. De door Mous gekozen samenstelling van zowel locatie als schrijfstijl is doordrongen van Amerikaanse invloeden. Niet alleen speelt het verhaal zich af in Amerika (wat constante verwijzing naar Amerikaanse cultuur inherent maakt), ook het Nederlands  capituleert regelmatig voor Engelse termen (‘boy’, ‘seven’, ‘notebook’) wat bij mij de vraag oproept: ‘Waarom?’ Het verhaal was er waarschijnlijk niet minder op geweest als het zich had afgespeeld in Nederland.
Zorgwekkender is de omschrijving van de andere ‘Boys’. Boy wordt voorgesteld aan de andere ‘Boys’, die kort worden omschreven aan de hand van een enkel uiterlijk kenmerk. Hier gaat Mous mijns inziens twee keer faliekant de mist in. De kompaan van Boy Seven, ‘Boy Six’, valt op omdat hij een zwarte huidskleur en kroeshaar heeft. Zo ver als kenmerken gaan een begrijpelijk onderscheid (gezien hij de énige is met waarvan de huidskleur überhaupt wordt genoemd) voor een kind, maar van alle bijzondere talenten die de Boys hebben, heeft Boy Six het talent een meesterdief te zijn. Wees daarom extra alert op het probleem dat onze samenleving heeft met stereotypering als gevolg van structurele ongelijkheid.
Over stereotypes gesproken, neem ‘Boy Four’, hij wordt omschreven als ‘de dikke’. Niet alleen is de omschrijving van een persoon aan de hand van zijn riemmaat extreem ongevoelig, de positie waarin Boy Four wordt afgeschilderd tegenover de groep en de ‘groepsleiders’ is simpelweg verdrietig. Boy Four wordt vanwege zijn omvang en eetgedrag gepest door zowel de andere boys als de ‘groepsleiders’, maar erger nog, deze status quo wordt voorondersteld als ‘normaal’ en kan worden gelezen als ‘vanzelfsprekend’, want ‘natuurlijk’ wordt je gepest als je dik bent. Door in de belevingswereld van kinderen een beeld te schetsen waarin het normaal is dat zwarte mensen stelen en zwaarlijvige mensen gepest worden geef je ze een referentiekader mee wat structurele ongelijkheid eerder in stand houdt dan het bestrijdt. Of de lezer bereid is Mous te vergeven voor haar onrechtvaardigheid, die ongetwijfeld eerder is voortgekomen uit gemakzucht dan kwade intentie, laat ik aan de lezer.

De situatieschets van Mous maakt de inzet hoog vanaf de eerste bladzijde en als een ware crescendo spookt het raadsel van begin tot het einde door het boek. Bij elke ontrafeling van de rode draad onthult zich een nieuw puzzelstuk aan Boy. Mous verleidt de lezer bladzijde voor bladzijde naar het puntje van de stoel om vervolgens door een geslepen tijdsprong de climax nog even uit te stellen. De tijdsprongen zijn complementair aan het mysterieuze geheugenverlies en voelen natuurlijk aan. De synthese tussen de nauw verbonden verhaallijnen en de langzaam verschuivende balans van vragen en antwoorden doen me hunkeren naar meer, meer van Boys verleden, heden en toekomst!