Home » Inspiratie » Kinderfilosoof Ilse Daems over het jeugdboek van Joke van Leeuwen voor de Maand van de filosofie

Kinderfilosoof Ilse Daems over het jeugdboek van Joke van Leeuwen voor de Maand van de filosofie

HET KINDERBOEK VOOR DE MAAND VAN DE FILOSOFIE EN ONTUCHT IN TIROL

Toen ik hoorde dat Joke van Leeuwen het kinderboek voor de maand van de filosofie zou schrijven, sprong ik het spreekwoordelijk gat in de lucht. Deed in mijn levende eentje meteen ook een klein rondedansje. U moet weten: van veruit de meeste kinderboeken met filosofische insteek krijg ik de boebelen. Omdat ze in mijn ogen vaak onuitstaanbaar opvoederig,uit den treure uitleggerig, meelijwekkend melig én belachelijk braaf zijn. Gevoel voor humor is er doorgaans even sterk ontwikkeld als het medelijden bij een bloedhond! Ik lees ze meestal met de moed der wanhoop die mij steeds dieper in de schoenen zinkt. ‘Ja maar’ zeggen ze dan ‘Kinderen houden ervan.’ Dat kan best zijn. Kinderen houden ook van het opblazen van kikkers en het martelen van meikevers. Kinderen kijken naar ‘ontucht in Tirol’ als ze de kans krijgen, zo leerde de onvolprezen Marc Mijlemans mij een eeuwigheid geleden al… Bij Joke van Leeuwen hoef ik echter nooit bang te zijn voor onverteerbare onderwijzigerheid en humorloze droge dorheid. Zij zou ongetwijfeld funny as fuck en op haar eigen kwajongse wijze het filosofisch themavarkentje ‘weerloos en waardevol’ wel eens wassen.

Intussen hebben de kleuters van mijn klas en ik al een dikke maand plezier van haar ‘Dat bedoel ik, zei de zalm’. Mijn kleuters zijn er even zot van als ik en noemen ‘t: het kettingboek. ‘Ja, Ilse, want het verhaal vertelt dat alles altijd aan iets anders vasthangt. De wind en het pluisje, het pluisje en de beker, de beker en de zalm, de zalm en de zandkorrel…’ Ze oefenen hard om zoveel mogelijk van de 21 personages na elkaar te kunnen opnoemen. Adil zegt voortaan na bijna elke zin die hij zelf uitspreekt uiterst plechtig: ‘Dát bedoel ik’. En er komen tal van filosofische thema’s aan bod die ons triggeren en waar we over praten: nieuwe gedachten krijgen, je eigenste betekenis hebben…

Maar het meeste plezier hebben we door zelf kettingverhalen te verzinnen. Een prima oefening in [logische en/of zinvolle] verbanden leggen, en -als die er niet zijn- in ze zelf creëren. Dat doen we op drie manieren. Eerst laat ik hen op afzonderlijke doorzichtige velletjes mica tekeningen maken van wat ze maar willen: een huis, een boom, een wolk, regen, sneeuw, de zon, een konijn, een auto …. Daarna kunnen ze door die transparante folievelletjes op elkaar te leggen letterlijk en figuurlijk verschillende ‘laagjes’ maken in hun verhaal en de loop ervan een andere wending geven.

Een volgende keer breng ik een ‘myriorama’ mee. Dat zijn 20 kaarten waarop een uiterst ingenieuze tekening staat die altijd op om het even welke andere kaart aansluit. Het doet er niet toe in welke volgorde je de kaarten legt: de ene kaart past altijd bij de andere. Op die manier krijg je met [slechts] 20 kaarten toch een bijna eindeloze reeks [namelijk zo’n 2.432.902.008.176.64.000 J] combinatie-en verhaalmogelijkheden. Mijn kleuters zijn diep onder de indruk en kunnen er niet aan uit: ‘Ilse, dat is een soort toverpuzzel die aan alle kanten past!’

Voor de laatste oefening in verbanden leggen, brengen ze allemaal een willekeurig voorwerp mee en proberen we daar een kettingverhaal mee te maken. Dat gaat vrij goed als die voorwerpen enigszins met elkaar te maken hebben maar als dat niet zo is, loopt het stroef en stokt het verhaal soms. Ik laat hun het bekende werk van Picasso zien: op het eerste gezicht gewoon een beeld van een stierenkop maar als je het van dichterbij bekijkt, zie je dat de kop gemaakt is van een fietszadel en een fietsstuur. Mijn kleuters snappen het. Op zich heeft een fiets niks te maken met een stier. Er is geen verband tussen die twee dingen. Maar je kan er wel eentje zelf maken. Vanaf dan zijn ze vertrokken. Hazel legt een tube tandpasta op tafel. Widad legt er een pakje wondpleisters bij ‘want de tube tandpasta heeft pijn omdat de mensen ’s morgens en ’s avonds in hem knijpen.’ Bilal heeft een potje met water bij en giet daar een plasje van uit ‘want als de pleister er afgaat moet je het randje wegwassen’. Robin die pas heeft geleerd om met twee voeten tegelijk te springen, legt niks op tafel maar springt zo hoog ze kan ‘ik heb een sprongetje bij want als de tandjes gepoetst zijn en het wondje gewassen is, dan spring je in bed’. Het plasje water van Bilal en het sprongetje van Robin blijven blijkbaar hangen in het hoofd van Titus die opeens out of the blue vraagt: ‘Ilse, kan je een plas leegspringen?’ Dat vinden de kinderen en ik een interessante gedachte en een plezant experiment. Bovendien liggen er [omdat het de laatste tijd veel en lang geregend heeft] massa’s plassen op de speelplaats. We doen dus regenjassen en laarzen aan en besluiten die te gaan leegspringen. En daarna hebben we met veel gelach en een helder hoofd opnieuw kettingverhalen verzonnen.

Als het spreekwoord ‘een ketting is maar zo sterk als haar zwakste schakel’ waar is, dan heeft Joke van Leeuwen met ‘Dat bedoel ik zei de zalm’ een ijzersterk verhaal geschreven. Haar boek voor de maand van de filosofie is voor volwassenen de kortste weg naar kinderlijk verwonderd blijven. En dat is niet niks.

[ilse]

Geschreven door:

Ilse Daems

kinderfilosoof identikit ilse daems:* geboren in het vorige millennium* huurwoordenaar & speelduivel* levenslange legofanaat* extreem allergisch voor vis & schaaldieren én voor schoolse methodes* expert in buiten de lijntjes kleuren* volgde de opleiding fmkj aan de isvw [kan dus ook rijmen en dichten zonder haar gat op te lichten]* filosofeert met kleuters en lagere schoolkinderen op ‘de pientere piste’
Meer artikelen uit dit dossier:
Share This