Hoe kom je tot begripsverheldering van het concept kinderfilosoof?

Bo Kok onderzoekt de kaders van kinderfilosofie

Over de auteur:

Bo Kok is begin 2021 afgestudeerd aan de Hogeschool voor Toegepaste Filosofie. Zij onderzocht voor het Centrum Kinderfilosofie Nederland (CKN) hoe de literatuur binnen de kinderfilosofie zich verhoudt tot de werkende praktijk.

In haar scriptie onderzocht zij of er een goede afbakening en analyse van het concept kinderfilosoof gegeven kan worden, zodat het CKN op grotere schaal het filosoferen met kinderen kan professionaliseren.

In de volgende reeks artikelen worden er stukjes van haar scriptie uitgelicht.  Bo Kok is tekstschrijver, blogger, bijlesdocent en is als vrijwiliger aangesloten bij het CKN. Voor meer informatie over Bo, zie haar eigen website www.boisme.nl.

 

HOE KOM JE TOT BEGRIPSVERHELDERING VAN HET CONCEPT KINDERFILOSOOF?

ARTIKEL 2 van 8

Conceptuele analyse

Als we moeten bepalen wat een kinderfilosoof is, stuiten we op dezelfde problemen als dat we een omschrijving moeten geven van (het beroep) filosoof. Vraag menig filosoof wat een filosoof eigenlijk is of wat filosofie inhoudt en de persoon in kwestie begint te stamelen, kan slechts een paar onderdelen van de filosofie benoemen, blijft achter met een ontevreden gevoel of geeft een subjectief antwoord over wat hij of zij ziet als (het beroep) filosoof. Definitievragen hebben dan ook vaak een desoriënterend effect op mensen. Een ‘wat is X’ vraag, kan een discussie naar een hoger niveau tillen als een concept of begrip wordt uitgediept.[1] Echter, bij gebrek aan analysetechniek zullen veel mensen in verlegenheid worden gebracht en vliegen de ‘euh’s’ al in het rond. Tijdens een gesprek of onderzoek zijn er daarom meerdere mogelijkheden of vraagvormen om een concept te onderzoeken. Schrijvers van Socrates op de speelplaats, Anthone en Mortier (2007) noemen dit “het preciseren van de vraagvorm”. “Is X soms Y?” of “Welke criteria zijn nodig om X te kunnen bepalen?” (Anthone & Mortier, 2007, p. 129)

Deze twee vraagvormen lijken sterk op een aantal denkgereedschappen die Philip Cam in zijn boek Twintig Denkgereedschappen benoemt. In zijn boek komen verschillende denkgereedschappen aan bod die aangeleerd kunnen worden bij kinderen en gebruikt kunnen worden tijdens het filosoferen met kinderen. Ik gebruik in deze scriptie een aantal gereedschappen om tot begripsverheldering van het concept kinderfilosoof te komen. De denkgereedschappen hebben op deze manier een dubbele functie. Ik laat namelijk zien dat ik deze gereedschappen in de praktijk kan toepassen (toegepaste filosofie). Tegelijkertijd verduidelijken deze denkgereedschappen de doelstellingen van het filosoferen met kinderen.

De gereedschappen in het boek van Cam zijn bedoeld als tools die kinderen nodig hebben tijdens het leren denken. Na het oefenen en aanleren van bepaalde vaardigheden (gereedschappen) kunnen zij deze in hun denkbeeldige gereedschapskist leggen en ze eruit halen zodra ze dit nodig achten. Cam stelt:

“(…) er kan geen twijfel over bestaan, dat alleen wie heeft geleerd effectief na te denken, goed kan denken over vraagstukken en problemen die we in ons leven tegenkomen, goed de mogelijkheden van het leven kan onderzoeken, uiteenlopende standpunten kan bekijken, kritisch kan beoordelen wat hij of zij las of hoorde, onderscheid kan maken dat ertoe doet, waar nodig verbanden kan leggen en, in het algemeen, redelijk kan oordelen.” (Cam, 2020, p. 9)

Natuurlijk, over de kwaliteit, inhoud, houding, lesstof, doelstelling, kennis en vaardigheden waarover je moet beschikken als kinderfilosoof valt veel te zeggen en is vanzelfsprekend geen eenduidig antwoord op te geven. Ook door middel van de denkgereedschappen van Cam zal je niet tot een eenduidig antwoord komen. Dit wil echter niet zeggen dat er niets zinnigs over te zeggen valt. Het spreekt voor zich dat begrippen niet bestaan uit een ‘van nature’ gegeven definitie, bijvoorbeeld door naar de herkomst van het woord te kijken (etymologieën). Bij begripsvorming komt het vaak neer op de inhoud van het begrip die op verschillende manieren wordt afgetast, maar ook om begripsverheldering van de begrippen die daar omheen liggen.

 

Het concept kinderfilosoof

Een profielschets van een ‘perfect’ functionerend kinderfilosoof[2], zegt nog niet wat een kinderfilosoof is. Net zomin als een voorbeeld van liegen, aangeeft wat liegen zelf is.[3] Ik wil hier dan ook gelijk duidelijk maken dat er een onderscheid gemaakt moet worden tussen een werkbaar begrip van een kinderfilosoof en een volledig bevredigende definitie. Dit laatste is een onrealistisch en onhaalbaar ideaal. Stel nu[4] dat er wel iemand is die met een omvangrijke definitie komt van wat een kinderfilosoof is en onze intuïties weet te bevredigen, aan onze verwachtingen voldoet en ook nog eens sterk informatief is. Stel nu dat dit zo is, dan is het punt dat ik hier wil maken dat niemand het zou hoeven doen om toch een werkbaar begrip te hebben van wat een kinderfilosoof is. De kaders waarbinnen je kinderfilosofie bedrijft zijn nog niet neergelegd. Zeker in het begin volstaat een elementair inzicht in wanneer iemand een kinderfilosoof is en welke centrale begrippen hierbij komen kijken.[5]

 

De essentie

Op de vraag wat een kinderfilosoof is, ga ik in deze scriptie geen antwoord geven. Het veronderstelt dat er een ‘zijn’ gedefinieerd kan worden. Dat er een vaste wezenskern, een essentie is, of dat er vaste grenzen rondom begrippen bestaan. In Wittgensteins woorden: “Hoe is dan het begrip van het spel afgerond? Wat is nog een spel, en wat niet meer? Kun jij de grenzen aangeven? Nee. Je kunt ze trekken: want ze zijn nog niet getrokken” (Wittgenstein, 2009, pp. 32-33). Dit is dubbel raak. Allereerst op de manier hoe de late Wittgenstein het bedoelt: bij een nadere beschouwing zijn vaak geen vaste grenzen aan te geven[6] zoals de taal niet verder gedefinieerd kan worden dan naar de grenzen van zijn gebruik te kijken. Ten tweede omdat het CKN nog geen conceptueel kader en dus grenzen heeft voor een belangrijk begrip als een kinderfilosoof en deze tot op zekere hoogte wel getrokken kunnen worden.

Ik heb het bewust niet over ‘de’ kinderfilosoof omdat ik niet de macht van de definitie wil claimen maar een eerste start wil maken met het vormen van een begrip waarbij “het wederzijdse begrijpen van de verschillende gezichtspunten en het telkens opnieuw tegen elkaar afwegen van deze gezichtspunten door middel van begripsanalyse en oordeelsvermogen” (Martens, 2000, p. 96) het resultaat is. Er zal dus altijd verder in dialoog moeten worden gegaan om nieuwe benaderingen aan te scherpen en oude te laten vervagen.

 

De vorm

Als ik een kinderfilosoof niet definieer door wat zij is, kijk ik dan naar de manier waarop zij haar les invult?

De tafel is een gebruikelijk voorwerp om in te schakelen tijdens denken over begripsvorming. Ekkehard Martens schrijft in zijn boek over verschillende benaderingswijzen als we naar een begrip kijken. In Plato’s dialoog Cratylus wordt er gediscussieerd om het welbekende voorbeeldbegrip ‘tafel’. Cryton werpt op dat een tafel ‘van nature’ een tafel zou zijn terwijl Hermogenes aangeeft dat dit gebeurt volgens ‘verdrag en afspraak’ (Martens, 2000, p. 81). Hermogenes versterkt zijn positie met het voorbeeld dat er verschillende benoemingen zijn in verschillende talen, maar er nog steeds naar hetzelfde ding wordt verwezen. Martens: “De benamingen zijn inderdaad een kwestie van ‘afspraak’, maar niet de daarmee verbonden object- en handelingsverbanden” (Martens, 2000, p. 82). Zoals in de laatste alinea van het stuk conceptuele analyse is aangegeven, is een begrip niet ‘van nature’ juist of verklaarbaar door te kijken naar de herkomst, maar komt het aan op de inhoud van het begrip.[7]

Als we stellen dat een kinderfilosoof ook filosofiejuf kan worden genoemd of ik noem maar iets geks: een denkpion, dan hoeft dit niet tot betekenisverlies te leiden. Toch plaatst Martens hier een belangrijke kanttekening omdat bij nieuwe benamingen ook nieuwe zienswijzen vastgelegd kunnen worden. Als we de tafel weer als voorbeeld pakken, dan kunnen we geen vastomlijnde definitie geven van hoe een tafel eruitziet. Een of meerdere poten is geen noodzakelijke voorwaarde die een tafel moet hebben om er een tafel in te zien, laten meubelmakers, kunstenaars, schilders en dichters ons zien. Zij verruimen ons denken door de grenzen op te zoeken van de vormgevingsmogelijkheden die een tafel heeft.[8]

 

Het gebruik

Onze neiging om iets bij zijn vorm te definiëren, zoals een tafel met vier poten (of drie, of eigenlijk ook één) laat ons in de steek. Het wordt duidelijk dat de tafel beter gedefinieerd kan worden door zijn gebruik: je kunt iets op een tafel leggen. Een beroemde passage uit Philosophical Investigations slaat op dit gebruik, waarbij iets geen betekenis van zichzelf heeft als er niets mee overeenkomt. Wittgenstein beweert dat woorden zijn hoe je ze gebruikt. De betekenis ligt in het gebruik en is dus contextafhankelijk (in tegenstelling tot wat hij eerder dacht, dat er een eenduidige ideale taal zou kunnen zijn).[9]

Zonder alle benaderingen die Martens laat zien als het over begripsvorming gaat te benoemen (waaronder die van Von Weiszäcker, Russell en Nietzsche) volstaat het hier om het verband duidelijk te maken tussen de functie, het gebruik en de vorm van een begrip. De kinderfilosoof verschijnt namelijk ook in vele soorten en vormen. Zoals er vele manieren zijn om te filosoferen met kinderen, zijn er ook vele kinderfilosofen die in verschillende vormen hun leerlingen aanzetten tot filosoferen. Echter werken zij wel degelijk binnen een bepaald kader, waarbij grote lijnen zowel in de literatuur als in de praktijk overeenkomen. Over die grote lijnen en vaak genoeg ook de iets gedetailleerdere, gaan de volgende artikelen in deze reeks. In dit beginnende conceptuele kader dat ik heb opgezet, zullen vooral de houding en de competenties naar voren komen waarover een kinderfilosoof dient te beschikken.

[1] Anthone, R., & Mortier, F. (2007). Socrates op de speelplaats (4de editie). Leuven, België: Acco, p. 129.

[2] Dit bestaat niet, maar je kunt door middel van een gedachtenexperiment voorstellen dat er iemand is die wij een perfect functionerend kinderfilosoof zouden kunnen noemen. Zie denkgereedschap: Gedachtenexperimenten. Cam, P. (2020). Twintig denkgereedschappen (1ste editie). De Meern, Nederland: Levendig Uitgever, p. 55.

[3] Dit voorbeeld over liegen komt van G. Matthews, uit Filosofie van de kinderjaren. Matthews, G. B. (1995). Filosofie van de kinderjaren – anders kijken naar kinderen (1ste editie). Rotterdam, Nederland: Lemniscaat, p. 65.

[4] Ik maak hier gebruik van het denkgereedschap: Gedachtenexperiment. Cam, P. (2020). Twintig denkgereedschappen (1ste editie). De Meern, Nederland: Levendig Uitgever, p. 55.

[5] Dit is gebaseerd op G. Matthews met Filosofie van de kinderjaren. Matthews, G. B. (1995). Filosofie van de kinderjaren – anders kijken naar kinderen (1ste editie). Rotterdam, Nederland: Lemniscaat, p. 67.

[6] , p. 96.

[7] Martens, E. (2000). Spelen met denken. Rotterdam, Nederland: Lemniscaat, p. 82.

[8] Martens, E. (2000). Spelen met denken. Rotterdam, Nederland: Lemniscaat, p. 83.

[9] Wittgenstein, L. (2009). Philosophical Investigations (3th Edition). Oxford, Verenigd Koninkrijk: Basil Blackwell.