Het begin: de houding en competenties van een kinderfilosoof #3

Bo Kok onderzoekt de kaders van kinderfilosofie

Over de auteur:

Bo Kok is begin 2021 afgestudeerd aan de Hogeschool voor Toegepaste Filosofie. Zij onderzocht voor het Centrum Kinderfilosofie Nederland (CKN) hoe de literatuur binnen de kinderfilosofie zich verhoudt tot de werkende praktijk.

In haar scriptie onderzocht zij of er een goede afbakening en analyse van het concept kinderfilosoof gegeven kan worden, zodat het CKN op grotere schaal het filosoferen met kinderen kan professionaliseren.

In de volgende reeks artikelen worden er stukjes van haar scriptie uitgelicht. Bo Kok is tekstschrijver, blogger, bijlesdocent en is als vrijwilliger aangesloten bij het CKN. Voor meer informatie over Bo, zie haar eigen website www.boisme.nl.

 

HET BEGIN: De houding en competenties van een kinderfilosoof

 ARTIKEL 3 van 8

Mijn onderzoeksvraag gaat om het creëren van een kader rondom het concept kinderfilosoof dat als ondergrond kan dienen voor de standaarden die het CKN opzet voor een sterke beroepsgroep.[1] We kunnen pas echt iets zeggen over de verwachtingen van het CKN, als we eerst heel duidelijk hebben nagedacht over de kaders die gegeven kunnen worden bij een kinderfilosoof.

In dit artikel en de volgende zet ik de houding, vaardigheden en kennis van een kinderfilosoof uiteen. Ik probeer daarmee de volgende vragen te beantwoorden:

  1. Welke houding staat centraal?
  2. Welke begrippen staan centraal?
  3. Zijn er noodzakelijke voorwaarden te noemen die komen kijken bij het beroep kinderfilosoof die zowel met de literatuur als met de praktijk overeenkomen?
  4. Is er een bepaald soort kennis die een kinderfilosoof moet beheersen?

 1.1 De socratische houding

De socratische houding is ontleend aan de figuur Socrates,[2] die op bijzondere wijze trachtte naar het vinden van waarheid door inzichtelijke kennis[3] bij de ander te generen. De socratische houding gaat uit van een niet-weten, dat centraal staat in de bronnen die we hebben over Socrates.[4]

Toen ik wegging, zei ik tot mijzelf dat ik in ieder geval wijzer was dan die man. Het lijkt er immers op dat geen van ons beiden iets weet dat juist kan worden genoemd. Maar hij denkt dat hij het wel weet, en ik denk tenminste niet dat ik het wel weet, als ik het niet weet.” (Plato, 2010, p.5, 21c)

 Een noodzakelijke voorwaarde[5] om met kinderen te filosoferen is de socratische houding, al is het geen voldoende voorwaarde op zich.[6] In het volgende hoofdstuk zet ik de socratische houding uiteen door duidelijk het onderscheid[7] te laten zien tussen de diametraal tegenovergestelde houding hiervan: de klassieke leraarshouding.

1.2 De klassieke leraarshouding 

Als ik het heb over een persoon die de klassieke leraarshouding aanneemt, dan moet begrepen worden dat er geen persoon bestaat die hieraan volledig kan voldoen. De klassieke leerkracht moet eerder gezien worden als een traditioneel karikatuur dat een aantal aspecten belichaamt van het traditionele onderwijs, het traditionele model van klassenmanagement en de traditionele verhouding tussen leerkracht en kind. Het woord traditioneel lijkt problematisch in het onderwijs, aangezien er veelal verondersteld wordt dat vernieuwing gelijkstaat aan verbetering.[8] John Dewey stond zeer kritisch tegenover het vernieuwen om het vernieuwen.[9] Op dit moment lijkt er ook weer een beweging te ontstaan die juist pleit voor traditioneel onderwijs.[10] Zonder hier verder over uit te weiden, wil ik duidelijk maken dat ik geen waardeoordeel toeken aan de termen traditioneel of klassiek.

Puur kijkend naar de herkomst van het woord ‘klassiek’, ontleend aan het Latijnse classicus, betekende het zowel ‘normgevend’ als ‘van de hogere Romeinse burgerklassen’. Rond 1550 kreeg het Franse woord classique eenzelfde betekenis met daarbij de term ‘gezaghebbend’. Classiques waren in de 17e eeuw in Frankrijk schrijvers die gezaghebbend en navolgenswaardig waren en daarom in de klas bestudeerd moesten worden. Rond 1800 werd classiek op dezelfde manier gebruikt in Nederland.[11]

Dat ik de socratische houding afzet tegen de klassieke leraarshouding komt dan ook niet uit de lucht vallen. Normgevend, status, gezaghebbend – het zijn termen die de klassieke leraar toebehoren. De kinderfilosoof zal in veel gevallen voor een klas staan (op de basisschool of middelbare school) en zal hierbij een bepaalde leraarshouding aannemen. Het concept kinderfilosoof krijgt kaders en inhoud door te stellen wat zij niet is, namelijk een (klassieke) leraar en toe te werken naar wat zij wel is.

De volgende begrippen staan hierbij centraal:[12]

  • Wel weten – niet weten (artikel 4)
  • Macht – gezag (artikel 5 en 6)
  • Vraaggericht onderwijs (artikel 7)
  • Voorkennis & voorbereiding (artikel 7)
  • Kennis (artikel 8)

Leerlingen hebben een bepaald ‘concept’ van een leerkracht en het volgende voorbeeld illustreert dit goed. Een van de auteurs van Socrates op de Speelplaats werd als kinderfilosoof tijdens de eerste les direct aangesproken met meester. Dit was logisch aangezien de kinderen aannamen dat deze nieuwe volwassene ‘iets’ met hen ging doen of iets zou onderwijzen en dat deze man dus een meester moest zijn. Na twee lessen werd dit al vervangen door ‘mijnheer’ (dit is in het Belgisch gangbaarder dan in Nederland. In Nederland zou dit gelezen kunnen worden als meneer), want het concept van meester strookte volgens de leerlingen niet met hoe deze man zich gedroeg. Nog een aantal lessen later werd ook ‘mijnheer’ vervangen door de voornaam van de man. Blijkbaar hield ook het concept van ‘mijnheer’ geen stand.[13] Dit voorbeeld illustreert dat de kinderfilosoof niet in het typische conceptuele kader van juf of meester past voor leerlingen. Dit heeft onder andere te maken met de verandering die kinderen ervaren tussen de klassieke leraarshouding en de socratische houding. De overeenkomsten en de verschillen tussen deze twee houdingen bespreek ik in de artikelen die volgen.

Lees hier artikel #4 tot en met 8.

 

Noten

[1] Zie voor meer informatie over de sterke beroepsgroep en levels: https://kinderfilosofie.nl/beroepsgroep-kinderfilosofen/

[2] Zie bijlage 1

[3] Zie voor meer informatie over inzichtelijke kennis: Anthone, R., & Mortier, F. (2007). Socrates op de speelplaats (4de editie). Leuven, België: Acco, p. 24

[4] Zie bijlage 1

[5] Ik maak hier gebruik van het denkgereedschap: Criteria. Cam, P. (2020). Twintig denkgereedschappen (1ste editie). De Meern, Nederland: Levendig Uitgever, p. 68.

[6] Anthone, R., & Mortier, F. (2007). Socrates op de speelplaats (4de editie). Leuven, België: Acco, p. 61.

[7] Ik maak hier gebruik van het denkgereedschap: Onderscheid maken. Cam, P. (2020). Twintig denkgereedschappen (1ste editie). De Meern, Nederland: Levendig Uitgever, p. 47.

[8] Denessen, E. (2012). Opvattingen over onderwijs: Leerstof-en leerlinggerichtheid in Nederland. Geraadpleegd op september 2020, van https://www.academia.edu/2111753/Opvattingen_over_onderwijs_Leerstof_en_leerlinggerichtheid_in_Nederland, p. 26.

[9] J Diamond, J. (2011). John Dewey over opvoeding, onderwijs en burgerschap (1ste editie). Amsterdam, Nederland: SWP.

[10] Denessen, E. (2012). Opvattingen over onderwijs: Leerstof-en leerlinggerichtheid in Nederland. Geraadpleegd op september 2020, van https://www.academia.edu/2111753/Opvattingen_over_onderwijs_Leerstof_en_leerlinggerichtheid_in_Nederland, p. 26.

[11] ETYMOLOGISCHE (STANDAARD)WERKEN. (z.d.). Geraadpleegd op 2020, van http://etymologiebank.ivdnt.org/trefwoord/klassiek

[12] De twee tegenstellingen hieronder hebben overlappingen en kunnen soms ook in elkaars kader worden geplaatst. Het gaat hier dan ook niet om het juist categoriseren van bepaalde tegenstellingen in bepaalde kaders, maar om de socratische houding beter te leren kennen via de klassieke leraarshouding.

[13] Anthone, R., & Mortier, F. (2007). Socrates op de speelplaats (4de editie). Leuven, België: Acco, pp. 61-62.