Oproep Verwonderingsdatabank

Ideeënbank voor Verwondering in het Basisonderwijs – VU Amsterdam

Wij zijn bijna aan het eind van ons driejarig onderzoeksproject naar verwondering in het basisonderwijs, gefinancierd door de Amerikaanse John F. Templeton Foundation. Een deel van ons onderzoek richtte zich op de strategieën die basisschoolleerkrachten ontplooien om verwondering te stimuleren in hun lessen. Samen met de huidige situatie rondom het coronavirus heeft dit ons geïnspireerd om een online verwonderings-ideeënbank op te zetten voor het gebruik van leerkrachten en ouders. Hier willen we ideeën verzamelen voor verwondering-stimulerende lesactiviteiten in het basisonderwijs, maar ook voor activiteiten die de kinderen thuis (evt. met wat hulp van hun ouders) kunnen uitvoeren, juist in deze tijd waarin het leren deels thuis plaatsvindt.

Leerkracht Erwin van Dam van OBS De Kirreweie in Zeeland vertelde mij bijvoorbeeld over een tuindagboek dat kinderen gedurende vier weken gingen bijhouden, waarbij ze elke week een half uur op een plek in de tuin (of op een stukje natuur in de buurt) gingen zitten. Tijdens dit half uur zouden ze kijken, luisteren, ruiken, voelen, etc., en ook wat ‘experimentjes’ doen zoals een broodje in de zon leggen en een steen in water gooien. Ze observeerden dan wat er gebeurde en ook wat er was veranderd sinds de vorige week. Kinderen legden hiervan verslag in een dagboek, compleet met tekeningen.

Wij nodigen u, leerkrachten of onderwijspersonen met een bijzondere interesse in verwondering, van harte uit om een van uw ideeën toe te voegen aan deze databank! U kunt dit doen door onderstaande vragen te beantwoorden en deze te sturen naar w.rietdijk@vu.nl. Het gaat hierbij om één idee voor een activiteit, voor basisschoolleerkrachten in de les of voor kinderen thuis, die naar uw mening bij uitstek geschikt is voor het stimuleren van verwondering.

Belangrijk vinden wij dat de activiteiten ook goed uitvoerbaar zijn voor kinderen die thuis minder faciliteiten hebben, zoals bijvoorbeeld een gebrek aan tuin of technologie, beperkte ruimte, etc. Het gaat juist om het interessant maken van en het nieuwe dingen zien in kleine/bekende dingen, binnen de mogelijkheden die er zijn, zoals dat ook juist heel erg past bij verwondering.

Wij plaatsen alle binnengekomen activiteiten op https://wonderfuleducation.nl/databank. Natuurlijk vermelden we uw naam en school bij uw activiteit als u dat wilt! De link naar de verwonderingsdatabank verspreiden we via onze netwerken zodat zoveel mogelijk leerkrachten en ouders inspiratie kunnen opdoen voor verwonderingsactiviteiten.

Wij kijken uit naar uw suggesties! Alvast hartelijk dank.

Het Wonderful Education team,

Willeke Rietdijk

Anders Schinkel (project leider)

Evelien Broekhof

Judith Conijn

Project website: www.wonderfuleducation.nl

 

Afdeling Onderwijswetenschappen, Faculteit der Gedrags- en Bewegingswetenschappen

Vrije Universiteit Amsterdam

Graag de onderstaande vragen beantwoorden en sturen naar w.rietdijk@vu.nl:

 

Uw naam:

Naam school:

E-mail adres:

 

Wilt u dat we uw naam en/of de naam van uw school op de website vermelden?

 

Heeft de activiteit (online) begeleiding van een leerkracht nodig of kan de activiteit zelfstandig (met eventuele hulp van een ouder) uitgevoerd worden?

 

Voor welke leeftijdsgroepen is de activiteit geschikt?

Titel activiteit:

Korte omschrijving van de activiteit voor leerkrachten en/of ouders:

Welke materialen zijn nodig?

Instructies voor de kinderen:

Hoe gaan kinderen eventueel verslag leggen?

Hoe kunnen ouders eventueel helpen/assisteren?

Verslag van Masterclass met Pieter Mostert: nieuwe vormen voor filosofiepraktijk

Pieter Mostert gaf een masterclass op 8 en 9 februari 2020. Deze was mogelijk gemaakt in samenwerking met de Vereniging Filosofische Praktijken en het ISVW. Mostert (1952) is onder meer verbonden aan Het Nieuwe Trivium. Hij is een echte ontwikkelaar van nieuwe vormen om het filosoferen in praktijk te brengen. Gerard Kooijmans en Fred Delhaas maakten een verslag van deze tweedaagse in Leusden.

In dit verslag worden een aantal onderwerpen voor het voetlicht gebracht. Hieronder vind je het overzicht.

  • De laatste internationale ontwikkelingen op onderzoeksgebied;
  • Het belang van het onderscheiden van de verschillend filosofische gesprekstypen;
  • Hoe we ook tijdens het dialectisch proces gebruik kunnen maken van retorica;
  • Hoe je FmKJ kunt inzetten in een compleet vastgelopen groepsdynamiek;
  • Hoe je kinderen op nieuwe gedachten kunt laten komen
  • Tips voor het opstellen van jouw persoonlijk manifest.

INTERNATIONALE ONTWIKKELINGEN

 Mostert schets drie ontwikkelingen:

  1. Onderzoek is geen randverschijnsel meer, maar essentieel om het bestaansrecht aan te tonen.
  2. Er wordt een beroep gedaan op FmKJ tot activisme.
  3. De vraag rijst of filosoferen het hanteren van een toolkit vereist.

Ad 1. Onderzoek dat het bestaansrecht van FmKJ aantoont

Eerder lag de nadruk op onderzoek naar de praktijken: wat is de bijdrage van FmKJ aan andere vakken? Nu gaat het meer om het onderzoek naar het effect op de cognitieve vaardigheden. Het onderzoek dient om bestaansrecht en erkenning voor het vak FmKJ te krijgen. We moeten er de zinvolheid van FmKJ mee aan tonen.

Er wordt volgens Mostert weinig onderzoek gedaan naar de kwaliteit van het filosoferen met kinderen. Er is daarentegen wel veel onderzoek naar de legitimiteit van FmKJ. Het betreft onderzoek naar de effecten op onderwijs en nog algemener: waar is het goed voor?

Je kunt vragen stellen naar de betrouwbaarheid van onderzoek naar de kwaliteit van FmKJ. Het is namelijk heel moeilijk om te zeggen, waardoor het effect van FmKJ is ontstaan. Double blind (met controle groep) wordt sowieso nooit gedaan en is ook niet werkbaar. Hoe generaliseer je nu de bevindingen? Hoe doe je dit op betrouwbare wijze? Welke modellen gebruik je hiervoor? Hoe meet je het effect en veranderingen? Hoe is de verbetering gedefinieerd? Antwoorden op deze vragen dienen de legitimiteit van wetenschappelijk onderzoek naar de kwaliteit van FmKJ. Het onderzoek zou eventueel ook hermeneutisch kunnen zijn: hoe kunnen we FmKJ verstaan?

Waar eerder inhoudelijk de nadruk op de cognitieve skills voor andere vakken lag, ligt de nadruk nu meer op de logische vaardigheden. De conclusie luidt meestal dat je er beter van gaat nadenken. Logisch redeneren er argumenteren leveren ook een bijdrage voor burgerschap: community skills. Hier zit ook het geld.

Het probleem is wel steeds: hoe operationaliseer je dit onderzoek? Wat is belangrijk: gedragsverandering? Denkbewegingen kunnen maken? Tevredenheid? Filosofische competenties? Wie bepaalt de categorieën en wie bepaalt wat bepalend is? Kortom, er valt hier nog veel met elkaar over na te denken!

Onderzoeksvragen naar de theoretische achtergronden van FmKJ zijn ook interessant, maar die zijn er weinig. Onderzoek als dat van Pablo Muruzábal Lamberti (www.muziekenethiek.com) legt een interessante lacune bloot in de theorie van FmKJ: Hoe beïnvloedt luisteren het spreken?

Ad 2. FmKJ en activisme

Je kunt zelf ook argumenten bedenken waarom FmKJ het onderwijs in moet. Het argument van voicing bijvoorbeeld: mensen een stem geven. Lees hierover ook Philosphy and Community van Grace Lockrobin.

Scholen spelen hier een belangrijke rol in, omdat het filosoferen binnen bestaande gemeenschappen afneemt; gemeenschappen vallen uit elkaar. Omdat filosoferen in verband wordt gebracht met gedragsverandering, met het doen, wordt er ook binnen het activisme beroep opgedaan bijvoorbeeld als het gaat om het klimaatdebat. Van FmKJ-ers wordt dan weleens verwacht het niet bij praten te laten. Hiervoor is FmKJ alleen nog niet goed genoeg gedefinieerd. In hoeverre moeten we ook aan de actieve kant bezig zijn? Andersom kan een goed filosofisch gesprek in de klas wel leiden tot het aanpassen of het opstellen van bepaalde schoolregels.

Zie in dit verband ook Hannah Arendt die betoogt dat mensen van Vita Comtemplativa naar Via Activa zouden moeten bewegen. Mostert noemt in dit verband ook het proefschrift van Jeroen Van Waveren: Burgerschapsonderwijs en de leerkracht binnen het speelveld van de pedagogiek en politiek.

Ad 3. Filosoferen met jongeren: het hanteren van een toolkit?

Er is een beweging zichtbaar binnen FmKJ van filosofische inhouden naar skills. Bijvoorbeeld het hanteren van argumenten, en dan met name logische argumentatie en het komen tot de juiste gevolgtrekkingen. Weet dat er twee typen argumenten er zijn: dialectische en retorische (Aristoteles).

Het voordeel van het werken aan de hand van een toolkit, zoals die van Philip Cam, [maar ook bijvoorbeeld de 18 Denkstappen van Nanda van Bodegraven ] is dat de effecten makkelijker te kwantificeren zijn.

TYPE GESPREKKEN BIJ FMKJ

Mostert duidt op de variatie die er is in de vorm van filosofische gesprekken. Allen hebben een andere dynamiek en vereisen daarom een eigen gespreksleiding en een eigen manier van voorbereiden. Het is goed je bewust te zijn van de consequenties van je keuze. Hij noemt drie duidelijk te onderscheiden gespreksvormen.

A) De What if gesprekken of gedachtenexperimenten

De functie ervan is om een opvatting te toetsen die aannemelijk lijkt. Bijvoorbeeld: hoe zou het zijn als er geen regels zouden zijn? Gedachtenexperimenten kunnen echter heel snel vrijblijvend worden. Het is nadrukkelijk niet bedoeld om te testen wat kinderen denken.

Je moet eerst iets creëren dat je kunt testen, namelijk een  goed geformuleerde opvatting. In plaats van te beginnen met de vragen: zou je zonder regels kunnen leven? start je bijvoorbeeld met: Waar hebben we regels voor nodig? Het gesprek hierover zou kunnen leiden tot een hardnekkige opvatting. Denk aan de experience machine van Nozick. Die dient om het idee van ervaringsverheerlijking te testen.

Zo kies je bij een gedachtenexperiment steeds voor een hardnekkig, haast onwankelbare opvatting. Pas als je met je groep op zo’n opvatting bent gestuit, weet je hoe je gedachtenexperiment eruit moet komen te zien.

Het gedachtenexperiment is een mentaal testlaboratorium. Je voert de druk steeds hoger op om te zien of men nog bij de opvatting wil blijven.

Het vraagt om een specifieke manier van leiden. Je moet hard werken om het filosofisch te houden. Het is een leuke zoektocht om de harde opvattingen van kinderen te vinden. Het vereist bovendien een bepaalde fascinatie voor het experiment.

B) Socratische gesprekken

De functie van het socratisch gesprek is het onderzoeken van een concrete ervaring die iets zegt over de persoon en de situatie. Het voeren van socratische gesprekken is niet zo gebruikelijk bij FmKJ omdat je snel op privégebied komt.

Het gesprek vraagt om een zekere noodzaak om het erover te willen hebben. Er moet behoefte zijn om de rol van de persoonlijke ervaring en het concept te onderscheiden en uit te zoeken. Je moet de termen concreet maken, zoals in het volgende voorbeeld: “Ik voel me gediscrimineerd.” Discriminatie is te abstract. Dat ervaar je niet. Wel dat je niet wordt gezien of dat je niet mee mag doen. Waar leg je nu de nadruk: op de concrete ervaring of op het concept discriminatie? Je kunt het socratisch gesprek didactisch gebruiken om een voorbeeld te geven van discriminatie.

In het Socratisch gesprek moet je stoeien met het verdelen van de aandacht tussen de concrete ervaring en het veralgemeniseren van het probleem.

Het is lastig om zoiets in de klas voor te bereiden, want de les begint vaak met een stimulus van buiten, niet met een concrete ervaring van een kind waarbij het van belang is dat die algemeen geduid moet worden. Op zo’n spontane stimulus kun je je moeilijk voorbereiden.

Je moet het uitvragen goed beheersen om het geloofwaardig en filosofisch te houden.

C) Filosoferen over een klassieke vraag of concept uit de filosofie of over een filosoof

De functie van het filosoferen over een klassieke vraag of concept of over een filosoof is dat kinderen deze ideeënwereld leren verkennen. Je hoeft niet een uitgebreide inleiding te geven of een lange tekst. Een korte theoretische verkenning is voldoende.

Een volledige klassieke mythe leent zich juist weer wel voor deze ontdekkingstocht. Maar sloop niet de kern eruit. Hij noemt het voorbeeld van Daedalus en Icarus. Geeft aandacht aan de Minotaurus, laat ook de gaten zien. “Waarom is de waarschuwing van Daedalus niet conreet?”

Schep een sfeer zodat de filosoof bij jou aan huis aan tafel kan zitten en je hem kunt uitvragen. Bereid de kinderen voor op een ontmoeting met de filosoof, niet slechts gemedieerd door een tekst. Neem de leerlingen in de verbeelding mee naar de tijd en plaats. Je kunt dit doen door bijvoorbeeld een spannende aankondiging te doen voor de volgende les.

Stel vervolgens open, haast stamelende vragen: wat gebeurt hier? Wat snap je niet? Is dat niet raar dat hij dat zegt? Laat de verbeelding van het kind het werk doen. Het is een speurtocht, je kijkt samen rond. Je rafelt zo als het ware de concepten en het geschetste beeld uit elkaar, zoals je dat in een wetenschappelijk onderzoek ook doet.

Probeer de ideeën zoals die opgeschreven zijn echt te begrijpen. Als het te moeilijk wordt, zeg dan: dit leer je op de universiteit, maar ik doe het nu vast met jullie.

FILOSOFEREN OF DEBATTEREN?

Mostert legt het verschil uit tussen retorica en dialectica. Retorica is van oorsprong geen filosofie, maar de kunst van het overtuigen om gelijk te krijgen. Het wordt toegepast als techniek op het toneel en in de rechtbank. Hierover is bijvoorbeeld bij Aristoteles de theorie te vinden. Dialectica is de methode om vraaggeleid naar inzichten zoeken. Het is de basis van het filosofisch onderzoek. Er zijn geen leerboeken overgedragen uit de Griekse oudheid, behalve de boeken waarin Plato de dialectische praktijken van Socrates beschrijft. Toch zijn zijn latere praktijken meer retorisch van aard.

Het debat begint met een geënsceneerde zekerheid. Vervolgens ga je op zoek naar breuklijnen, interpretatieverschillen in die zekerheid. In een debat ga je opzoek naar de houdbaarheid van een stelling. Je bent ergens van overtuigd, maar hoe zeker is het wat je stelt? Aan het einde van het debat ben je dan van sommige dingen misschien minder zeker.

Je kan een filosofisch gesprek ook met een stelling beginnen, maar dan moet je het gesprek anders organiseren. Je hebt mensen nodig die de stelling willen verdedigen en anderen die deze willen aanvallen.

Een goede filosofische vraag is een vraag die je aan twee kanten wilt onderzoeken of beargumenteren. Dat veroorzaakt de wankeling. De filosofen wroeten in de onzekerheden, in de grijze gebieden. Een filosofische vraag verbrokkelt daardoor de zekerheid in de stelling. De oogst van vraag of debat kan zo hetzelfde zijn.

Een stelling moet je vaak eerst finetunen. Gebruik geen ontkenningen in een stelling, geen meestal, nooit, slechts, eigenlijk, soms en altijd. De criteria waarop je een stelling op metaniveau beoordeelt zijn bijvoorbeeld: is de stelling kort, rijk, beeldend, concreet? Wat is de kwaliteit van het belangrijkste werkwoord? Laat het werkwoord het werk doen. Een zelfstandig naamwoord verwijst naar de wereld zoals die is en is dus minder aan het wankelen te brengen.

FILOSOFEREN EN CONFLICT HANTEREN

Hoe ga je om met conflict? Naar aanleiding van een ervaring van Mostert over conflictbemiddeling deelde hij het volgende met ons:

 “Met deze klas valt niet te praten.” Bij een gepolariseerd conflict in een groep is er geen eigenaar meer van het gesprek. Alles is verhit, iedereen wordt slachtoffer. Er is geen beweging meer, geen nuance, alleen herhaling van zetten. Niemand heeft dit gewild.

Vraag je af of het conflict in het issue zit of dat het het resultaat is van de verhoudingen binnen de groep.

Je kunt nu nog een gesprek organiseren over het hebben van een conflict. Wanneer heb je nu een conflict en wanneer is er sprake van een meningsverschil?

“En omdat het plafond zo laag was, vroeg ik iedereen om sotto voce te spreken, dat hielp wel. Zo hebben de kinderen weer ervaren hoe het is om in zekere mate een gesprek te hebben.”

INVENTIO: HOE KUN JE BEWERKSTELLIGEN DAT KINDEREN OP NIEUWE GEDACHTEN KOMEN?

In het algemeen wordt aangenomen dat mensen weten wat ze denken.

In het filosofisch gesprek probeer je te achterhalen waarom mensen iets denken. Dat kan echter alleen als er al iets gedacht wordt. Op het idee van het zoeken naar nieuwe gedachten geeft Mostert ons twee perspectieven.

Leerlingen weten eigenlijk al wat ze denken.
Je geeft ze de gelegenheid om dit te uiten en vraagt hen naar de redenen en argumentatie, de onderbouwing en de houdbaarheid ervan. Het is een bepaalde vorm van verdediging. Dit lijkt een beetje op het proces in een rechtszaal. Het is een ponerend filosofisch gesprek.

Maar je hebt ook situaties, waarin kinderen niet zo goed weten, wat ze denken.
Hier zit veel rijkdom in. Je moet het in ieder geval waarderen. Organiseer een gesprek ook eens op basis van dit idee. Hoe zou je het zo kunnen organiseren dat kinderen meer vanuit het niet weten iets willen zeggen? Je kunt ook denken aan kinderen die niet uit hun woorden kunnen komen.

Nu heb je iets aan het idee van Cicero’s inventio: hoe nodig je anderen uit dan toch iets te zeggen. Je kunt de niet-weters aanmoedigen het gesprek te laten beginnen door ze te vragen het gewoon eens te proberen. Je kunt ze ook een zin laten afmaken. Of ze een situatie schetsen en vragen: Als je die situatie nu voorstelt, wat zou er dan gebeuren? Wat vind je daarvan? Of: als ik herhaal wat Ilse zei, hoe sta je daar dan tegenover? Je kunt twee standpunten aanbieden en vragen welke het meest aanspreekt. Of je start het gesprek met: “Vandaag geven we het woord aan degenen die het niet weten.” Andere tips zijn: maak kleinere groepen en leg tekenpapier op tafel, zodat kinderen die niet meedoen ook een tekening kunnen maken.

De niet-weters vertragen het denken van de snelle denkers. Het leidt tot het uitstellen van het innemen van een positie. Hierna durven meer kinderen positie in te nemen. Hier kun je bewust voor kiezen.

De techniek van inventio, op iets nieuws komen, volgens Cicero

Ga op zoek naar topoi: vindplaatsen.

Ga met je kinderen na, wat bronnen van ideeën en meningen zijn. Ga op zoek naar deze topoi. Brengen deze bronnen je op een idee? Met de kinderen sta je stil bij de kennis die er al ligt. Zo hoef je niet te wachten tot iemand een nieuw idee krijgt. Het is nadrukkelijk geen voorschrift waarnaar je op zoek bent, maar een raadpleging. Je gaat door bronnen te raadplegen op zoek naar het narratief: het verhaal achter het idee.

Voorbeelden:

  • je eigen mening (maar dat ligt voor de hand)
  • wat je van je ouders hebt geleerd/ gehoord
  • wat je van de geschiedenis hebt geleerd
  • wat je uit de literatuur weet/ verhalen
  • googelen/Wikipedia
  • de normen en de wetten van een land
  • zelf onderzoek doen: vraag het aan een grote groep mensen
  • je eigen vriendengroep
  • de autoriteiten: de imam, dominee
  • hoofdpersoon uit je favoriete boek. Wat zouden die ervan vinden?
  • de lege stoel waarop een vreemde gaat zitten die een heel ander standpunt of idee heeft.

Onderzoek de verisimilus: de aannemelijkheid

Je bent niet op zoek naar de waarheid, maar je kruipt zo dicht mogelijk tegen wat aannemelijk is. Het standpunt dat je aanneemt heeft alle hobbels die zijn veroorzaakt door de reacties erop, al genomen.

Dit doe je vooral in situaties waarin mensen het niet meer zo goed weten, of om een consensus of tegenspraak op te heffen . Je gaat weer nadenken over de vraag wat we hier nu eigenlijk aan het onderzoeken zijn.

Voorbeelden:

  • Ik wil erachter komen hoe het voor mij zit.
  • Ik zoek naar het meest overtuigende.
  • Ik zoek naar het meest vertrouwde.
  • Ik zoek naar het meest aannemelijke.

MAAK JE EIGEN MANIFEST

Een manifest maak je omdat je de wereld kenbaar wilt laten maken wat jij vindt dat er broodnodig moet gebeuren of veranderen. Dit was een heel goede oefening om te doen. Hoe ben jij nu overtuigd van het belang van FmKJ en hoe maak jij op overtuigende manier kenbaar? Een elevator pitch, maar dan anders.

Een goed manifest telt niet meer dan 35 woorden. Er zijn twee modellen:

A) Het persoonlijk manifest

  • Wat is jouw overtuiging?
  • Doe een reality check : “Ook waar is…..”
  • Wat moeten we nu doen?
  • Wat zijn de gevolgen daarvan / welke waarden zijn belangrijk?

B) Het zakelijk manifest, wat een meer instrumenteler doel dient

  • Formuleer jouw doel
  • Schrijf de manieren op om dat doel te bereiken
  • What’s in it voor alle betrokkenen. Wat hebben ze eraan?

Belangrijke tips:

Heel belangrijk is dat je goede werkwoorden gebruikt. Ook hier geldt: werkwoorden doen het werk. Het moet geen vervoeging van het werkwoord zijn.

Voor zelfstandige naamwoorden geldt dat ze zeggen wat iets is. Het brengt dus niet zoveel in beweging.

Wees trots op je beelden die je schetst. Wordt niet verliefd op het woord. Kies een perspectief van waaruit je dat woord kunt bekijken. Het loont bijvoorbeeld om wat je hebt geschreven in totaal andere termen op te stellen.

Pieter Mostert studeerde filosofie aan de Universiteit van Amsterdam. In 1988 promoveerde hij en momenteel is hij werkzaam bij Het Nieuwe Trivium, een scholingsinstituut dat klassieke filosofische disciplines toepast in de hedendaagse praktijk van management en organisatie.

Dank aan Pieter Mostert voor zijn bereidheid, gulheid en zijn zorgvuldigheid om met ons te leren. Dank ook aan de Vereniging Filosofische Praktijken en de ISVW – de Internationale School voor Wijsbegeerte, voor het mogelijk maken van een boeiende masterclass.

LITERATUUR SUGGESTIES

Voor literatuursuggesties van Pieter Mostert over gedachte-experimenten en hoe spreken in een andere taal van invloed is op moraliteit, kun je een mail sturen naar nieuwsbrief@kinderfilosofie.nl.

 

De Vrijheid van Amsterdam: een filosofische stadwandeling

Sneak Preview

De wandelroutes ‘de vrijheid van Amsterdam’ die Nanda van Bodegraven ontwierp nemen je mee naar de 17e eeuw. Amsterdam was toen een grote havenstad waaruit handel gedreven werd met grote delen van de wereld. Eén van de belangrijkste handelsproducten van Amsterdam waren boeken. Daar hing de persvrijheid mee samen: het Amsterdamse stadsbestuur wilde deze handel niet beknotten. Maar deze persvrijheid was relatief en veel kleiner dan onze persvrijheid nu. Dit blijkt uit dat bijvoorbeeld Spinoza’s Theologisch Politiek Traktaat meteen verboden werd. Overigens werd het evengoed uitgebracht en over heel Europa verspreid. Ook de tolerantie voor andere geloven was groter in Amsterdam. Wederom speelde de handelsgeest hierin ook een grote rol: al die geloven namen wel hun handelscontacten en netwerken mee.

Naast de wandelroutes, die gratis te downloaden zijn, komen er speciaal ontworpen tegels te liggen op voor de filosofie bijzondere plaatsen. Nanda legt uit: “Ik ben naar de gemeente gegaan, en na wat pogingen kreeg ik de stadsdeelvoorzitter van Amsterdam Centrum, Boudewijn Oranje, te spreken. Hij was enthousiast. Daarom is het gelukt om stoeptegels met citaten van filosofen te mogen plaatsen.”

Naast Descartes, Spinoza, Locke en Hobbes, heeft Van Bodegraven Amsterdamse denkers als Franciscus van den Enden, Lodewijk Meijer en Adriaan Koerbagh een plaats gegeven in de stadswandeling. “Ik wilde de minder bekende filosofen ook een plaats geven, omdat zij wel het denken vooruit geholpen hebben. Ik wilde daarmee laten zien dat het denken geen eenzame bezigheid was. Er was heel veel uitwisseling, er werd heel veel gediscussieerd, op straat en op allerlei andere plaatsen. Deze minder bekende denkers hebben bijvoorbeeld Spinoza geholpen zijn denken te ontwikkelen. Ook hun boeken droegen bij aan het klimaat van uitwisseling. Het was echt een dialogische snelkookpan.” Dat de persvrijheid relatief was, blijkt uit dat Koerbagh in de gevangenis hout moest raspen, in het Rasphuis. Dat was de straf voor zijn boek waarin hij onder meer de kerk bekritiseerde.

Het mooist aan de Amsterdamse denkers is dat ze de handelsgeest, die hen hielp vanwege de grotere vrijheid, mijlenver overstegen. Allerlei ideeën en filosofische theorieën kwamen op, die veel doordachter en hoogstaander waren dan de platte handelsgeest. Wat is rechtvaardig, hoe kunnen we het beste samenleven, mag je je eigen geloof opleggen aan anderen, hoe funderen we kennis?, zijn enkele van de vragen die ze probeerden te beantwoorden. Eigenlijk werd het zelf denken bevrijd. Ik heb dan ook op verschillende tegels citaten opgenomen die gaan over zelf denken. Hiervóór bepaalde de tradities ongeveer alles, voornamelijk de Bijbel en de boeken van Aristoteles en Plato. Maar deze zogenaamde vrijdenkers wilden zelf kunnen inzien wat waar en juist is.

‘Ik denk dus ik ben’ is een van de helderste voorbeelden daarvan. Descartes wilde zelf inzien wat hij zeker kon weten. Dat hij dacht kon hij niet betwijfelen. Met zijn uitspraak kwam God op de tweede plaats en de mens op de eerste. Dit wordt gezien als het startpunt van de moderne tijd, waarin de mens de plaats van God in gaat nemen. Hoe moeilijk dit toen nog lag, wordt ook duidelijk aan de reactie van Utrechtse hoogleraren op het filosofische vrijdenken. De filosofie van Descartes werd de ‘nieuwe filosofie’ genoemd. Nieuw was toen niet bepaald een compliment:

“Wij hoogleraren der universiteit van Utrecht verwerpen deze nieuwe filosofie, eerstens omdat zij de oudere wederstreeft en tegen haar grondslagen ingaat, ten tweede omdat zij de jeugd van de studie afwendt, zodat deze niet meer de academische schooltermen verstaat. En tenslotte omdat niet alleen vele onjuiste en tegen de rede strijdende opvattingen uit deze nieuwe leer volgen, maar onrijpe jongelieden licht daaruit gevolgtrekkingen kunnen afleiden, die tegen de andere wetenschappen en faculteiten en inzonderheid tegen de ware theologie ingaan.”

Het boek waarin Descartes dit schrijft is zijn Vertoog over de methode. Het heeft een stortvloed van discussie opgeroepen, in heel Europa. Hij werkte hier in Amsterdam aan. Van Bodegraven: “Dat hij hier in Amsterdam aan werkte is toch wel iets om even bij stil te staan. Daarom komt er een tegel op de Westermarkt met deze uitspraak ‘ik denk dus ik ben’.”

Dit boek is in Leiden gepubliceerd, een andere Nederlandse stad die zeer grote mate van persvrijheid bezat. Dus het is niet zo dat er alleen in Amsterdam meer vrijheid was. En hier is nog een nuance op zijn plaats. Descartes kwam uit Frankrijk, dus het is niet zo dat Amsterdam de enige bakermat van de moderne tijd is. Nanda: “We moeten het ook weer niet overdrijven. Maar Amsterdam biedt wel een geweldig inkijkje in de wortels van de Westerse moderniteit. En sommige tegenwoordige auteurs, waaronder grootheden als Jonathan Israël, stellen dat er een grote kans was dat zonder de rol van Amsterdam de tegenkrachten te groot waren geweest en de moderne tijd niet was doorgezet.”

Autonomie en individuele vrijheid zit nu in de haarvaten van de Westerse samenleving. Dat is historisch en wereldwijd gezien niet niks. Dat we zoveel vrijheid hebben is geweldig vind ik. En je kan je afvragen of al die ruimte voor autonomie en individuele vrijheid ook geen problemen oplevert. We hebben steeds vaker te maken met mensen op hoge posities met meningen waarvan zij niet het idee hebben dat zij daarover verantwoording hoeven af te leggen. Eenzaamheid en consumptiedrang zijn andere nadelen die hier sterk mee samenhangen. Ook over de negatieve kanten van onze samenleving wil ik graag het gesprek aangaan en ook dit samen onderzoeken en proberen op te lossen. Niet door simpele oplossingen te promoten of terug naar vroeger te willen. Maar juist door allemaal die autonomie en zelf denken in te zetten en door samen goed na te denken erover. Jawel, vanuit het credo ‘samen beter denken’. Dus: de slogan van het CKN! Met zelf én samen denken kun je heel veel oplossen. Dat is ook de basis van wetenschap. Wetenschap is geen individueel werk, het is de praktijk van voortbouwen, correctie en voortschrijdend inzicht. Ook een kant van het Amsterdamse denken in de 17e eeuw. Kortom, via het inkijkje in de ontwikkeling van het denken via de Amsterdamse denkers in een heel vrije tijd vol mogelijkheden, kom je lijnrecht uit bij het belang van filosoferen met kinderen en jongeren (en natuurlijk ook volwassenen).”

Dank aan het HFA, Humanisme Fonds Amsterdam. Dit fonds heeft deze wandelingen mogelijk gemaakt. Het HFA steunt projecten die Amsterdam verbinden aan Humanisme. Mede door de Amsterdamse denkers is individuele vrijheid en autonomie op de kaart gezet. Deze ontwikkeling gaat vooraf aan Humanisme, daarom steunt het HFA dit project.

De website is te bezoeken maar is gedeeltelijk nog under construction. Daarnaast is Van Bodegraven bezig een werkboekje te maken voor bij de wandeling on kinderen na te laten denken over vrijheid. In de nieuwsbrief zal aangekondigd worden als dit af is. Je kan ook een mail sturen als je wilt weten wanneer dit boekje uitkomt of als je een vraag hebt over dit project: info@vrijheidvanamsterdan.nl

Bekijk de website: https://www.vrijheidvanamsterdam.nl/nl

 

 

 

 

Hoe maak je van je idee een verkoopbaar product?

Vragen aan de winnares van de Berrie Heesenprijs 2019 Katrin Laureyssens:

Katrin Laureyssens kreeg tijdens haar opleiding FmKJ in Antwerpen het idee dat ze ‘iets’ wilde maken dat ouders en kinderen samenbracht rond het thema verwondering.
Hierbij moesten twee dingen centraal staan: spelen met ideeën en een goed gesprek. Omdat Laureyssens niet werkzaam is in het onderwijs, richt ze zich op een spel voor gezinnen.

Ze werkte dag en nacht vol enthousiasme om het als eindopdracht van de opleiding te kunnen presenteren. Dat was in 2017. Het winnen van de Berrie Heesenprijs 2019 was de extra aanmoediging van andere kinderfilosofen die haar hielp door te zetten na de opleiding. Ze kreeg er vertrouwen in dat er inderdaad publiek zou zijn voor De Vragenvulkaan. Ze voelde de urgentie om het product op de markt te brengen.

De weg van een dummie-versie naar een verkoopbaar product bleek lang. Een aantal vragen moesten beantwoord worden: welke producent wilde meestappen in het verhaal? Zitten ouders hier nu op te wachten? Vraag ik één of meteen tien ISBN-nummers aan? Is dit project niet te hoog gegrepen? Kunnen we dit als gezin financieel wel dragen? Ga ik voor goedkope materialen of blijf ik koppig vasthouden aan die unieke dobbelsteen (het laatste dus!)? Hoe leg je aan mensen uit wat een filosofeerspel is?

Katrin, wat is je belangrijkste tip voor mensen die ook met deze vragen worstelen?
De belangrijkste tip is: vertaal het vakjargon naar je publiek. Vertrek vanuit hun noden, niet vanuit jouw theorie. Je moet opboksen tegen de vooroordelen die er zijn over filosoferen. Je kunt het filosoferen misschien niet makkelijker maken, maar wel toegankelijker. De theorie erachter bepaalt de kwaliteit van je product, maar je moet inspelen op de vragen uit de praktijk. Is wat je doet relevant? Ga dan vooral door met creëren en doe het op jouw manier!

Hoe raakte je overtuigd dat je idee waardevol is?
Ik ben het spel gaan testen. Ik testte het in groepen waarmee ik zelf filosofeerde. Ik vroeg leraren om het te testen in hun klas. Daarmee kon ik concretiseren dat het inderdaad in de klas ook werkt. Daarnaast heb ik het getest met mijn eigen klasgenoten van de opleiding. De kritiek leidde tot enkele aanpassingen van het spel. Tenslotte ben ik met buitenstaanders over het spel gaan praten, leken die niets van kinderfilosofie wisten. Zij kwamen met allerlei tegenwerpingen. Die kritische blikken scherpten mijn doelstellingen aan en zetten me aan om het spel nog beter te maken.

Of mensen op De Vragenvulkaan zitten te wachten?
Wat is er fijner om even met je kind stil te staan, een verdiepend gesprek te voeren of tijd te maken om een origineel spel te spelen? Het klopt dat alles al een keer gedaan is, maar de behoefte om even stil te staan en even ergens wat dieper op in te gaan, blijft. Zoals de vragen van je kind. Overal ter wereld zoeken mensen verbinding. En spelen is volgens mij de ultieme manier om die connectie tot stand te brengen. Door het spel leer je kinderen bovendien vaardigheden die ze als mens goed kunnen inzetten.  Door de reacties van mensen, word je bevestigd en voel je dat het relevant is wat je doet. Je moet geloven dat jouw product het middel is tot het doel dat je voor ogen hebt. Kinderen reageren zo enthousiast op het spel, leerkrachten ook. Dat gevoel wil ik iedereen gunnen.

Toen Laureyssens begin september de drukklare bestanden naar spellenproducent Cartamundi stuurde,
was dat een grote stap voorwaarts.
Ergens in het najaar zal er een hele lading Vragenvulkaan-spellen bij haar thuis een plek krijgen.
En hopelijk nadien ook bij de mensen thuis en in schoolklassen.
De aankomende weken zal ze zich gaan verdiepen in de zakelijke kant van het verhaal: verkooppunten zoeken, distributiekanalen aanspreken, speelgoedwinkel of boekwinkel? Hoe krijgt het spel dan de aandacht die het verdient?

Vraag van Katrin Laureyssens aan jullie: “Heb jij een tip over hoe ik dat aan moet pakken? Een goed adres waar de Vragenvulkaan ook in Nederland verkocht kan worden? Een organisatie die geïnteresseerd zou kunnen zijn?” Mail de redactie met je reactie voor Katrin: nieuwsbrief@kinderfilosofie.nl.

De Vragenvulkaan is een doosje met 36 thema- en fotokaarten die jong en oud op een speelse manier aanzetten tot filosoferen. Dankzij de inspiratiekaarten duik je in verdiepende gesprekken, creatieve opdrachten en verrassende onderzoekjes over alledaagse dingen. Gebruik je de fotokaarten, dan ervaar je hoe leuk het is om te spelen met ideeën, vragen te stellen, te twijfelen, te verwonderen en te verbinden.

De Vragenvulkaan is in elk geval vanaf november via de site verkrijgbaar: http://www.denkkaravaan.be/vragenvulkaan/.

Ook op Facebook kan je de avonturen van Katrin volgen:

https://www.facebook.com/denkkaravaan/

Filosoferen met jongeren – Making a difference

Filosoferen met jongeren – Making a difference.

16 mei mocht Paulien Hilbrink van het CKN een filosofisch gesprek bijwonen onder leiding van Rudolf Kampers van Leren Filosoferen en coauteur van ‘Filosoferen aan de keukentafel’ (2015). Hieronder een verslag.

“We kunnen van Kampers leren hoe je een grote groep jonge mensen van ongeveer 13 jaar aandachtig kunt laten luisteren naar elkaar.”

29 jongeren uit alle hoeken van Europa kwamen bijeen om een filosofisch gesprek te voeren. Het gesprek maakte onderdeel uit van een uitwisselingsproject Making a difference. De leerlingen hebben eerst een dag vrijwilligerswerk gedaan. Kampers had als doel ze te bevragen over de betekenis van hun sociaal handelen. Dit is een slimme insteek, omdat zo hun eigen ‘verse’ ervaring het beginpunt van het filosofisch onderzoek vormt. Het waren bovendien herkenbare ervaringen, omdat alle leerlingen vrijwilligerswerk hadden gedaan.

Omdat het de eerste keer was dat deze groep filosofeerde, kregen ze een korte introductie. Filosoferen betekent letterlijk liefde voor wijsheid. Kampers stelde de groep daarom de vraag: Wat heeft vragen stellen te maken met wijsheid? en Wat is wijsheid voor jou? In tweetallen gingen de leerlingen hierover met elkaar in gesprek. Kampers moedigde de ze aan om kritisch naar elkaar te luisteren. Hij deed dat zelf ook voor toen hij om de antwoorden vroeg. “Ik hoor dat je “doing the good things” zegt: wat bedoel je precies met “good”? Kampers nodigde ze uit om scherp te zijn en hun vragen helder te formuleren.

De antwoorden varieerden van weten wat het goede is om te doen tot weten dat je niks weet. Kampers nodigde ze uit om scherp te zijn en hun vragen helder te formuleren. Iemand zei: “Je bent wijs als je antwoord hebt op alle vragen.” Kampers schreef de formulering op. Een andere leerling wierp tegen: “Maar ik weet niet of de wijze persoon dan wel het goede antwoord heeft”. Omdat de stelling niet houdbaar bleek, veegde hij hem na akkoord van de leerlingen weer uit. Dit onderdeel vond iedereen spannend, omdat ze goed over hun antwoorden na moesten denken.

Het was voor deze leerlingen niet makkelijk om met elkaar in gesprek te raken. Ze hadden nooit eerder met elkaar gefilosofeerd. Ze waren nog in de veronderstelling dat ze ‘het goede antwoord moesten geven.’ Omdat de kinderen niet wisten wat er nu precies van hen verwacht werd, werden ze af en toe onrustig. Kampers bleef steeds uiterst alert en damde onrust steeds tijdig in. Dat deed hij enerzijds door het af en toe luchtig te maken door middel van humor. Anderzijds door uit te leggen waarom het belangrijk is om naar elkaar te luisteren. Luisteren is belangrijk omdat je anders niet weet waarop je precies moet reageren. Je verstoort dan de loop van het gesprek. Hierna vervolgde hij het gesprek weer zo snel mogelijk. Doordat Kampers oprecht nieuwsgierig was naar hun antwoorden, durfden de leerlingen hun gedachten te delen. Hun antwoorden waren in goede handen. Leerlingen werden zelf ook nieuwsgierig, waardoor ze er met hun aandacht goed bij bleven.

In het tweede gedeelte van de les gingen de leerlingen aan de slag met de vraag: wat betekent sociaal handelen voor jou? Dit kon slaan op het vrijwilligerswerk dat ze deden, maar dat kon ook een ander moment van handelen zijn. Allereerst moest er een helder beeld van een ervaring op tafel komen. Vervolgvragen die ze elkaar moesten stellen, maakten dat ze er dieper op in gingen (waar, met wie, wat deed je precies, wat dacht je en wat voelde je er toen bij?) Toen het tijd was de antwoorden te oogsten, probeerde Kampers het beeld dat een leerling schetste steeds helderder te krijgen. “Waarom was het belangrijk om te spreken over racisme op de werkvloer?” Of: “Hoe voelde het om te helpen reanimeren?” Hij wilde ook precies weten waarom het zo spannend was om een wasbeer uit een bevroren meer te redden. Dit kostte veel tijd, waardoor het filosoferen erbij in schoot. Gelukkig hadden de leerlingen de introductie gekregen en hebben ze kritisch naar elkaar geluisterd en serieus en aandachtig over hun antwoorden na moeten denken. Ze wogen hun antwoorden duidelijk goed af. Ze begrepen wel dat ze tijdens een filosofisch gesprek niet ‘zomaar’ iets konden roepen.

   Praktijkvoorbeelden van sociaal handelen volgens de leerlingen.

Kampers houding maakte deze les tot een succes. Hij toonde zijn oprechte nieuwsgierigheid en wist waar hij naartoe wilde met de leerlingen. Omdat hij continu alert was op wat er gezegd werd, kon hij snel de filosofische interessante punten eruit halen. Hij nam de leerlingen uiterst serieus, waardoor zij graag hun gedachten wilden delen. Ook al was het niet makkelijk om hun soms fragiele gedachten te uiten voor een groep. Kampers moedigde ze aan door niet te oordelen, maar wel te bevragen en ze te bedanken voor hun antwoord.

Dank aan Rudolf Kampers voor zijn gastvrijheid en dat ik deze ervaring mocht delen in de nieuwsbrief.

Paulien Hilbrink

 

Maak kennis met: Rob van Ruiten

Maak kennis met: Rob van Ruiten

Rob van Ruiten heeft gereageerd op de oproep in de vorige nieuwsbrief om jullie verhalen over filosoferen over diversiteit en identiteit. Hierbij een kennismaking met zijn praktijk en een verkorte weergave van een filosofisch gesprek over de vraag: Hoe komt het dat je bent zoals je bent. Bepaal je zelf je identiteit of wordt je wie je bent door anderen?

Op de basisschool in Woudsend wordt structureel gefilosofeerd. Gepensioneerd docent Van Ruiten geeft 22 filosofielessen per jaar. Dat doet hij niet alleen in het klaslokaal. Zo maakt hij een filosofische speurtocht door het dorp en een filosofische wandeling met kinderen en ouders met zelf ontworpen vraagkaarten. Hij filosofeert met zijn leerlingen over kunst in de lokale galerie en met senioren in het bejaardentehuis. “Het leeftijdsverschil is soms 80 jaar.”

“Ik zie het als een belangrijke taak om kinderen, de volwassenen van later, te leren om op een respectvolle manier met elkaar in gesprek te gaan en met elkaar te oefenen in het onderzoeken waar verschillen in opvattingen vandaan komen en of barrières op basis van argumenten geslecht kunnen worden.”

De speerpunten van Van Ruiten zijn: concentratie en rust, luisteren naar elkaar en een veilige sfeer in de klas. Zijn leerlingen zullen desgevraagd over hun meester zeggen dat hij veeleisend is, maar altijd kwetsbaar, inlevend, empathisch en positief.

Van Ruiten heeft een aantal lessen gewijd aan diversiteit en identiteit. Hieronder een verkorte weergave van een filosofisch gesprek met groep 6.

Van Ruiten: “Hoe komt het dat je bent zoals je bent? Bepaal je zelf je identiteit of wordt je wie je bent door anderen?”

“Je naam wordt je gegeven en dat bepaalt ook wie je bent.”

“Je familie en je ouders bepalen wie je bent.”

 

“Soms kan een ander wel willen dat je anders doet, maar dan hoef je dat niet te doen.”

“Als je zelf bepaalt hoe je wilt zijn, wordt je gelukkiger.”

“Iemand anders kan niet bepalen voor jou wat je leuk vindt.”

“Je kunt wel door elkaar overtuigd worden om iets leuk te vinden.”

“Maar meesters en juffen leren je weer hoe je je moet gedragen.”

 

“Je kunt zelf je naam veranderen en dan verander je ook je identiteit.”

Van Ruiten: “Als je een andere naam neemt, wordt je dan ook anders?”

“Als je transgender wordt, dan wel. Dan ga je andere dingen leuk vinden, zoals make-uppen.”

“Nee, je wordt transgender, bijvoorbeeld vrouw, omdàt je meisjesdingen leuker vindt dan jongensdingen.”

“Maar je hoeft geen meisje te worden als je als jongen meisjesdingen leuk vindt.”

 

Van Ruiten: “Ligt zoals jij bent al vast als je wordt geboren?”

“Nee, je kunt altijd alles nog veranderen als je dat wilt. Als je agressief bent kun je aardig worden.”

“Nee, want bij je geboorte weet je nog niet zoveel. Dus dan kan nog niet alles vastliggen. Je moet bijvoorbeeld tekenen nog ontdekken.”

“Soms bepalen volwassen wat een kind moet gaan doen.”

“Dat vind ik niet goed. Een kind moet doen wat ie leuk vindt.”

 

Maak kennis met: De Kleine Grote Denkers

Maak kennis met: de Kleine Grote Denkers

Vorige maand had ik de eer om kennis te maken met Ruud Verbraak, één van de oprichters van De Kleine Grote Denkers. Ze opereren op bijzondere wijze in het midden van Nederland. Hun wens is om FMK te verspreiden over alle Nederlandse basisscholen.

Kleine Grote Denkers is een bedrijfje dat zich specialiseert in onder andere filosoferen met kinderen. Naast lessenseries geven Ruud Verbraak en Kilian Schaap workshops aan leerkrachten en ontwikkelen ze missie/visie-trajecten voor scholen.

Ruud en Kilian zijn net, dan wel bijna klaar met hun studies wijsbegeerte, economie en bedrijfskunde. Tijdens hun studie wijsbegeerte werd hen tot hun grote geluk gevraagd: wat denk jíj eigenlijk? Ze besloten deze vraag en het filosoferen de basisschool in te brengen. Hun doel: het creatieve en kritische denkvermogen van kinderen vergroten en kinderen leren om te luisteren en tolerant te zijn naar elkaars gedachten. Kinderen interpreteren vragen vaak veel breder dan van ze verwacht wordt. In de loop van tijd neemt deze vaardigheid af, aldus Ruud. “We willen kinderen trainen om dit een onderdeel te laten blijven van het denken.”

Met hun idee konden ze op hun oude basisschool aan de slag. Door bovendien het schoolbestuur te overtuigen, mochten ze een workshop geven op een studiedag van de scholengemeenschap. Hun enthousiasme verspreidde zich snel en zo gaven ze bijna in één klap filosofeerlessen op zestien scholen.

Ruud en Kilian zijn door hun achtergrond goed in staat om te onderzoeken waar scholen en besturen behoefte aan hebben en wat de problematiek is waarbij zij kunnen aansluiten. Kortom: zij weten goed wat het gat in de markt is waarin zij kunnen springen: “We proberen goed te luisteren naar de échte vraag van scholen. Scholen zijn bijvoorbeeld niet per se op zoek naar filosofie, maar zijn op zoek naar een manier om invulling te geven aan onderwijs vanuit de gedachten van de 21e-eeuwse vaardigheden. In onze workshop gaan we dan ook dieper in op de koppeling tussen filosofie en dit onderwijsmodel.” Ze maken bovendien goed gebruik van hun netwerk. De moeder van Kilian is profileringsexpert en een goede vriend is grafisch vormgever. Die komen bij de uitvoering van hun plan om filosoferen met kinderen op alle scholen van Nederland te geven goed van pas!

Dat deze kinderfilosofen groot kunnen denken blijkt uit hun idee een filosofisch spel te ontwikkelen voor alle basisscholen in Nederland. Gamificatie van het filosoferen zien zij als een goede manier om kinderen te laten filosoferen met elkaar. Aan de start en bij elke uitbreiding van het spel krijgen leerkrachten een workshop om te leren hoe ze met deze spellen aan de slag kunnen. Elke leerkracht kan binnen 45 minuten een les opstarten en afronden.

Met gamificatie willen de Kleine Grote Denkers het imago van filosofie af te stoffen. “Filosofie is voor iedereen en voor alle leeftijden, maar met name voor kinderen is het belangrijk dat zij al vroeg leren om ‘lenig te blijven’ in hun denken.” Daarom maken ze filosoferen met kinderen laagdrempelig en goed toepasbaar. Meer weten? www.kleinegrotedenkers.nl

Leuke les: Een paar hele leuke antwoorden zijn gekomen op de vraag ‘Kan je rijk zijn zonder geld?’ tijdens de les over Rijkdom & Geluk. Waar veel kinderen wijze antwoorden geven als ‘ja, rijk aan familie, vriendschap of gezondheid’, hebben een aantal andere kinderen toch net wat andere antwoorden gegeven. Zo gaf Elowijn uit groep 6 het antwoord op onze vraag: ‘Ja, want je kan bijvoorbeeld ook vindingrijk zijn!’. Rick uit groep 7 zei tegen ons: ‘Ja, als je Rijk heet bijvoorbeeld!’ (refererend naar een klasgenootje met die naam). Deze voorbeelden laten zien dat kinderen échte Kleine Grote Denkers zijn die vrij en creatief kunnen denken!

 

De vragenvulkaan

Shortlist Berrie Heesen Prijs 2019

Katrin Laureyssens studeerde Kunst- en Theaterwetenschappen en volgde de opleiding Filosoferen met Kinderen en Jongeren. Met haar organisatie de Denkkaravaan wil ze ruimte maken voor kinderen om te spelen met ideeën en verwondering. Ze geeft filosofische workshops in scholen, bibliotheken en op festivals.
De Vragenvulkaan is een doosje met 36 thema- en fotokaarten die jong en oud op een speelse manier aanzetten tot filosoferen. Dankzij de themakaarten duik je in verdiepende gesprekken, creatieve opdrachten en verrassende onderzoekjes over alledaagse dingen. Gebruik je de fotokaarten, dan ervaar je hoe leuk het is om te spelen met ideeën, vragen te stellen, te twijfelen, te verwonderen en te verbinden.

Katrin Laureyssens

 

Kiezen en delen

Shortlist Berrie Heesen Prijs 2019

Kiezen en delen: Een kleurrijk spel bedacht door Leonie van Wees, Mirjam Poolster en Caroline van Twillert. Het spel is een krachtig hulpmiddel voor ervaren en minder ervaren filosofische gespreksleiders. Dit spel bevat citaten van filosofen die uitsluitend de vijf wijsgerige domeinen bestrijken: epistemologie, ethiek, wijsgerige antropologie, cultuur en metafysica. Elk domein heeft een herkenbaar pictogram. Door de citaten krijgt het gesprek snel een diepgaand filosofisch gehalte. De illustraties laten kinderen op een speelse manier kennismaken met oude en moderne denkers.
Verschillende spelmogelijkheden:
(1) Dilemma spel
(2) Citaat van filosoof als stimulus voor filosofisch gesprek
(3) Citaat van filosoof als stimulus voor filosofische analyse

Leonie van Wees, Mirjam Poolster en Caroline van Twillert

 

De filosofische start

Shortlist Berrie Heesen Prijs 2019

Elke 1e dag van de maand heb ik de ‘De filosofische start’ voor ‘mijn’ jongeren. Het is in mijn ogen een geweldige start en gewoonte om jezelf verder te ontwikkelen. Het stelt de jongeren in staat om vertragend te gaan denken, echt even alleen naar jouw ‘binnenste’ te kijken en te luisteren waar alle antwoorden (al) zitten. Daarnaast is het bewezen dat het de tolerantie bevordert, de autonomie wordt versterkt en ze leren argumenteren. De tijd nemen om elke maand iets op te schrijven aan de hand van filosofische vragen helpt de jongeren bij zelfontwikkeling en kan hen zelfs helpen bij stress. Natuurlijk zorg ik er ook altijd voor dat het leuk, grappig en uitdagend is.

Esther Wokke