Verslag Rond de Tafel I Hoeveel taal heb je nodig?

Verslag Rond de Tafel # I, 20 september 2018

HOEVEEL TAAL HEB JE NODIG OM TE FILOSOFEREN?

Annefieke Bonants geeft een interactieve workshop om de ervaring van Annefieke te combineren met die van de groep. Annefieke is groepsleerkracht op de Internationale Schakelklas en heeft voor de beroepsopleiding FMKJ een onderzoek gedaan naar filosoferen met kinderen op haar school. Het gaat om kinderen tussen de 12 en de 18 jaar met een zeer diverse achtergrond. Ze hebben allemaal gemeen dat Nederlands niet hun thuistaal is. Hun verschillende levensverhalen zijn het aanknopingspunt om met elkaar in gesprek te gaan en elkaar te leren kennen.
“Er is genoeg te denken en te delen, maar hoe kom je uit je woorden?”

Annefieke maakt gebruik van de taaltheorie over de Common Underlying Proficiency: de IJsberg van Cummins.


L1 is de moeder taal, L2 is de tweede taal.

Ook al produceert een kind weinig woorden in de tweede taal, er is voldoende woordenschat aanwezig om een nieuwe taal mee op te bouwen. Om dit te ervaren hebben de deelnemers een filosofisch gesprek gevoerd in een taal die zij niet machtig zijn. De observanten van deze gesprekken concluderen dat ondanks de beperkte taal er toch een gesprek gevoerd kan worden. Er zijn nauwelijks nuances mogelijk, misschien zelfs daardoor komen we snel to the point. Sommigen vervallen tòch in het Nederlands. Het is anders als één persoon de tweede taal wel goed spreekt.
Het spreken wordt door de deelnemers als frustrerend ervaren. Toch komt het beste argument van de slechtste spreker. Het denken lijkt sneller te verdiepen omdat je minder spreekt. De vertraging door de taal is een welkom bijeffect: de gespreksleider hoeft niet te vertragen, dat doet de groep zelf.

Bepalend is of de onderzoekssetting klopt. Wat volgens Annefieke uit maakt, is hoe de groep samenwerkt, hoe ze naar elkaar luisteren en of ze moeite willen doen voor elkaar, ondanks de frustratie. Wat ook bepalend is voor het slagen van een gesprek in een tweede taal is of er ruimte gevoeld wordt voor het oproepen van associaties. Associaties komen voort uit de eigen, voor anderen onbekende achtergrond en de ervaring die men hiermee heeft. Het gemak waarmee associaties geuit worden, is bijvoorbeeld afhankelijk van het onderwijs dat iemand heeft gehad.
Op de Internationale Schakelklas heeft Annefieke veel geoefend met taalstructuren (trappen van vergelijking, modale werkwoorden als mogen en moeten, samengestelde zinnen met omdat en want). Dat biedt steun vooraf. Language tools kunnen daardoor verbonden worden aan thinking tools.

Het geduld dat kinderen voor elkaar moeten opbrengen is groter als kinderen op hetzelfde taalniveau zitten. Het is moeilijker geduld op te brengen als de verschillen te groot zijn.
Het slagen van een filosofisch gesprek waarbij de taal is eigenlijk continu een combinatie van drie factoren: het sociale klimaat, de taal- en de denkvaardigheden van kinderen.
De deelnemers komen tenslotte met elkaar tot de conclusie dat je geen taal moet aanbieden in de filosofieles. De taalles zou je wel kunnen afstemmen op de filosofieles, bijvoorbeeld door het onderwerp voor te bereiden. Het taalleren wordt versterkt door de filosofieles maar moet in het filosofisch gesprek helemaal los gelaten worden.

Meer lezen? Stuur een mail naar paulienhilbrink@yahoo.com om het onderzoeksverslag van Annefieke Bonants op te vragen.