Geschiedenis

Het filosoferen met kinderen (ook wel kinderfilosofie genoemd), zoals we dat nu kennen, bestaat sinds het einde van de jaren zestig. De Amerikaanse filosoof Matthew Lipman geldt als de grondlegger. Lipman, directeur van het Institute for the Advancement of Philosophy for Children (IAPC) van het Montclair State College in New Jersey, ontwikkelde een methodiek en een curriculum voor het filosoferen met kinderen. Het centrale concept in de methodiek van het IAPC programma is de 'community of inquiry', in het Nederlands: de onderzoeksgroep, of de gemeenschap van onderzoek. De centrale gedachte is dat de groep zich tijdens het filosoferen omvormt tot een gemeenschap van onderzoek die samen nadenkt,waarbij de leraar optreedt als faciliteerder van het gesprek. Wat kenmerkt de gemeenschap van onderzoek? In de visie van Lipman is het vertrekpunt altijd dat wat kinderen denken. Alles wat gedacht wordt, kan worden uitgesproken. Zo moet de ruimte ontstaan die nodig is voor een gezamenlijk denkproces. Kinderen moeten alles kunnen uitspreken wat ze denken en zijn bereid daarover met anderen in gesprek te gaan. Dat betekent dat aan iedereen gevraagd kan worden om verklaring, uitleg, of argumenten voor de uitgesproken opvattingen. Het filosoferen in de gemeenschap van onderzoek is authentiek. Er wordt gezegd wat op dat moment gedacht wordt: het zou op geen enkele manier een simulatie van een wereld buiten de school zijn. Het gaat alleen om wat de leden van de groep zelf denken. Iets van horen zeggen, dat niet actief door iemand gedacht wordt, valt buiten beschouwing.

De praktijk

Filosoferen met kinderen wordt in zo’n veertig landen in het onderwijs gepraktiseerd. De onderzoeksgroep wordt vrij algemeen als methodisch uitgangspunt geaccepteerd, maar in de praktijk zien we toch zeer verschillende benaderingen. Die komen voort uit verschillende filosofische tradities, maar ook simpelweg uit verschillende accenten en stijlen die leraren in hun aanpak of in de gesprekken leggen. De werkwijze van Lipman noemen we ‘dialogisch handelen’, de nadruk ligt op beweren, navragen, onderzoeken in gemeenschappelijke dialoog. Anderen leggen meer nadruk op begripsvorming: het analyseren van (filosofische) begrippen. In de aanpak van bijv. Gareth Matthews staat de verwondering centraal, het vragen. De Duitse filosoof Ekkehard Martens onderscheidt vier hoofdwegen in het landschap van de kinderfilosofie: dialogisch handelen, begripsvorming, zich verbazen, en verlichting, ‘deze raken en kruisen elkaar, (...) deze verschillende methoden zijn verschillende facetten van die ene filosofie’(Martens, 2000). Ook kunnen we verschillen in benadering herkennen die terug te voeren zijn tot de bedoelingen die aan het filosoferen met kinderen worden gegeven. Richard Anthone en Freddie Mortier onderscheiden vier typen doelstellingen die de gespreksleider in het filosofisch gesprek tracht te realiseren (Anthone en Mortier, 2007):

1. Inhoudelijke doelstellingen; het gaat hierbij om het verwerven van kennis van, en inzicht in een bepaalde (de besproken) wijsgerige kwestie.

2. Doelstellingen op het gebied van de ontwikkeling van denkvaardigheden. democratie leren door filosoferen

3. Doelstellingen op het vlak van persoonlijke zingeving. Het filosoferen stelt kinderen in staat tot een zinvoller contact met hun leefwereld.

4.Doelstellingen op het vlak van de realisatie van de filosofische werkvorm, concreet de gemeenschap van onderzoek.

Anthone en Mortier menen dat de keuze voor een bepaald type doelstelling verbonden is met filosofische tradities. Kiezen voor met name type 2 doelstellingen (denkvaardigheden) houdt een keuze in voor een analytische benadering volgens de Anglo-Amerikaanse filosofische traditie. Zo zou een voorkeur voor persoonlijkheidsdoelen een keuze inhouden voor een praktisch-therapeutische benadering, het model van de wijsbegeerte van de Oudheid. Het centraal stellen van inhoudelijke doelen zou volgens hen meer overeenkomen met de traditie van de continentale filosofie. Het centraal stellen van de vorming van de gemeenschap van onderzoek, verbinden zij met een waardenpedagogische benadering. Ze stellen overigens dat de vier typen doelstellingen onderling verbonden zijn. Door een doelstelling expliciet na te streven realiseer je ook de andere. Niet alleen wereldwijd tussen landen, maar ook tussen scholen, onder leraren, merken we verschillen op in benadering. Filosoferen met kinderen komen we dus in verschillende vormen tegen. Het Centrum Kinderfilosofie Nederland erkent nadrukkelijk deze diversiteit en stimuleert de discussie hierover tussen de betrokkenen in Nederland en Vlaanderen.

Centrum Kinderfilosofie Nederland, Middelburgseweg 113, 2771 NJ Boskoop, e. info@kinderfilosofie.nl