Filosoferen met de hele school

Vorig jaar heb ik de beroepsopleiding filosoferen met kinderen en jongeren bij de ISVW in Leusden gevolgd. Vol inspiratie ben ik gaan filosoferen met mijn eigen klas. Dit beviel mij en de kinderen enorm. De kinderen vonden het heerlijk om eens goed over alledaagse en niet alledaagse onderwerpen na te denken. Ook merkte ik dat ze beter naar elkaar begonnen te luisteren. Het is alleen jammer dat de kinderen na twee jaar naar een andere juf gaan waar ze hoogstwaarschijnlijk niet filosoferen. Dit leek mij doodzonde.

Mijn droom is dan ook dat uiteindelijk  elk kind op mijn school filosofeert. Dit idee heb ik ingezonden naar Onderwijs Pioniers, een programma dat het mogelijk maakt om de ideeën van leerkrachten waar te maken. Gelukkig was ik niet de enige die mijn plan een goed idee vond, want ik ben uitgekozen om het te gaan realiseren.

Ik ben hier nu een half jaar mee bezig. Als eerste heb ik met mijn collega’s gefilosofeerd tijdens een studiedag. Dit werd goed ontvangen en bijna iedereen was er over te spreken. De volgende stap was om in elke klas een filosofisch gesprek te voeren, zodat de leerkrachten konden zien hoe zo’n gesprek verloopt. Het idee is nu dat ze het zelf gaan doen en dat is het moeilijkste gedeelte van mijn plan. Hoe krijg ik dat voor elkaar? Want iedereen heeft het al zo druk op school. Niemand zit te wachten op nog meer werk. Dus is het van groot belang dat ik mijn collega’s net zo enthousiast maak als dat ik zelf ben over filosoferen met kinderen.

Binnenkort ga ik nogmaals met het team filosoferen, dus hopelijk komen we steeds meer in de goede richting. Daarna wil ik er naar streven om een filosofiegroepje op te richten, dat elke week met mij wil samenkomen. Tijdens deze bijeenkomsten wil ik gesprekken voorbereiden en nabespreken.

Het zal nog lang duren voordat mijn grote droom werkelijkheid wordt, maar hopelijk hebben aan het eind van dit schooljaar al een paar collega’s enkele filosofische gesprekken gevoerd in de klas. Dat zal mij in ieder geval al heel blij maken en een heleboel kinderen ook.

Sterre van der Zwan

 

   

Hoe worden de kinderen eigenaar van het filosofische gesprek?

Afgelopen zomer was ik twee maanden in Duitsland, in Berlijn om precies te zijn. Daar kwam ik met het Berliner Büro für Philosophie und Bildung in contact om eens van gedachten te wisselen over ons vak. Al snel werden een aantal voorbeeldvragen uit de praktijk aangehaald. Warum ist der Himmel blau? Wieso gibt es Wasser und Sand? Woraus ist deine Jacke eigentlich gemacht? Ik dacht bij mezelf: maar wacht eens even, dat zijn helemaal geen filosofische vragen!

Daar heeft de (natuur)wetenschap toch een antwoord op? Bovendien heb ik dit soort vragen in mijn eigen praktijk altijd als ‘empirisch’ bestempeld, en dus niet geschikt voor een filosofisch gesprek. Mijn Duitse collega’s onderschreven dit weliswaar, maar voegden eraan toe dat een startvraag helemaal niet filosofisch hoeft te zijn in de eerste plaats. Stap 1 is dat kinderen zich verwonderen om iets vanuit hun eigen belevingswereld. Afhankelijk van de leeftijd komen kinderen dan inderdaad vaak met wetenschappelijk getinte vragen.

Hoe is de aarde ontstaan? Wat was er eerder; de kip of het ei? Etc. Het zijn in de eerste plaats geen filosofische vragen, we kunnen ze immers niet vanuit onze eigen ervaring benaderen. Maar, ze spelen wel bij kinderen, en daarom zijn ze cruciaal in de aanzet tot denken. Empirische vragen zijn dus in feite heel goed voor een filosofische gesprek. Waar het om gaat is dat de filosofiedocent het gesprek zo leidt, dat er uiteindelijk een filosofische kwestie naar voren komt die verder uitgediept kan worden. Geen plant op tafel dus, en vragen of planten kunnen denken, maar vragen wat de kinderen bezighoudt!

Echte verwondering
Geen voorbereiding, maar herkenning van wat potentieel filosofisch zou kunnen zijn, dat staat centraal in deze aanpak. Waar verwondert het kind zich op dit moment nou écht over? Dat kunnen wij vaak niet voor ze invullen en misschien moeten we dat ook helemaal niet willen.

Tijd
Geïnspireerd door deze methode ben ik bij terugkomst direct ermee aan de slag gegaan. Eén van de vragen die in mijn bovenbouwgroepje naar boven kwam was: “hoe is tijd ontstaan?” Normaliter zou ik meteen de vraag omgebogen hebben naar “wat is tijd?” – aangezien de initiële vraag aan de hand van historische tijdsmeters waarschijnlijk goed te beantwoorden is –, maar in plaats daarvan liet ik het zoals het was en zei ik: “Wat een interessante vraag! Hoe kom je daar zo op?”

“Nou, ik sta weleens onder de douche daarover te denken en dan merk dat ik daar helemaal geen antwoord op heb!”
Al snel reageerde een ander: “Maar tijd bestaat toch eigenlijk helemaal niet! Dat hebben we zelf bedacht.”
Waarop iemand anders weer zei; “Ja maar stel dat tijd er niet geweest was, zouden dag en nacht dan nog wel bestaan?”
En voilà, zo werd het, zonder dat ik me bemoeid had met de formulering van de startvraag, al snel een filosofisch gesprek. Niet over wat tijd is, maar over het al dan niet bestaan van de tijd. De regie daarover bleef in handen van de kinderen, die zich daardoor serieus genomen voelden en extra gemotiveerd waren om mee te doen. En hier gaat het om bij deze werkwijze. Niet om de alwetende docent die wel even bepaalt wat wel en niet geschikt is; die hebben ze de hele dag al voor hun neus – met dank aan het beroerde, eendimensionale onderwijssysteem van nu.

Gespreksinitiatief
Bij filosoferen met kinderen op deze manier is het gesprek (nog meer) van de kinderen, de startvraag incluis. De docent hoeft in feite alleen maar alert te zijn: door het stellen van de ‘juiste’ verdiepingsvragen op het ‘juiste’ moment – iets wat nog een hele klus is! Maar hij/zij hoeft het gesprek in ieder geval niet te initiëren, dat is uitstekend besteed aan de kinderen. Bovendien stelt het ons in staat om ook echt voor de klas te denken, dat kunnen we in dit geval immers niet meer voorbereiden en veinzen.

Daarmee is niet gezegd dat het altijd en voor iedereen tot een succes zal voeren, iedereen zal per slot van rekening zijn eigen voorkeur hebben voor een aanpak. Het zelf bedenken van filosofische vragen kan bovendien ook heel goed werken. Maar voor diegenen die nog nooit op deze manier een filosofische gesprek begonnen zijn, is het beslist de moeite waard om eens mee te experimenteren.

Wordt de eend gered?
Dit alles wil overigens ook niet zeggen dat het helemaal geen ruimte laat voor het zelf kiezen van thema’s. Zelf neem ik graag muziek als vertrekpunt, maar de kinderen bedenken voortaan een vraag. “Wordt de eend gered?” vroeg iemand uit mijn onderbouwgroepje naar aanleiding van een passage in het muzieksprookje Peter en de Wolf van Prokofiev. “Ja! Hij kan toch ademen in de maag van de wolf?” “Nee!” zei weer iemand anders, “als hij opgegeten is, dan is hij dood en een dode eend kun je toch helemaal niet redden!” Nou… Daar hebben we nog eens even goed over na moeten denken!

Pablo Muruzábal Lamberti

www.muziekenethiek.com

   

Recensies januari 2015

Het alternatief

 

Jelmer Evers & Rene Kneyber
Uitgeverij Boom
ISBN 9789461059642

cover Het alternatief

Het Alternatief is een bundel artikelen en interviews rond thema’s als onderwijsopbrengsten, onderwijsdoelen en leerkrachtgedrag. Het is een aanval op de Haagse afrekencultuur in het onderwijs waar de focus te veel op meetbare opbrengsten ligt.

Voor wie in kranten en bladen het onderwijsnieuws volgt, zijn het bekende klachten over het onderwijs zoals teveel administratie en registratie, teveel werkdruk, te veel toetsen en een unaniem het moet anders gevoel. Soms lijkt het alsof er vooral gemopperd wordt en er niet echt tegengas gegeven wordt want uiteindelijk doen de leerkrachten braaf wat er van hen verwacht wordt. De artikelen in dit boek laten zien dat dat tegengas er wel degelijk is, dat er veel gedreven mensen zijn die het systeem willen veranderen of het anders doen. Hopelijk inspireert het velen die in het onderwijs werken dit ook te doen en laat het vooral de mensen inspireren die het beleid maken.

Want goed onderwijs is niet simpel van bovenaf te bepalen. De praktijk is weerbarstig. Het is zoals Ester IJseling in haar bijdrage opmerkt: ‘Een goede leerkracht speelt voortdurend in op wat er gebeurt in een klas en op een school en gebruikt zijn innerlijk kompas.’ Ze haalt hierbij Aristoteles aan, die dat innerlijk kompas Phronesis noemt, praktische wijsheid, de wijsheid die je nodig hebt om te kunnen beoordelen wat nodig is in een gegeven situatie, wat je te doen staat in de interactie met anderen, wat goed is om te doen. “De hele discussie over hoe men moet handelen blijft noodgedwongen beperkt tot een schets en kan geen mathematische nauwkeurigheid bereiken”, aldus Aristoteles.

Weg met de afrekencultuur dus, want onderwijs is niet in modellen en toetsen te vangen is de rode draad in de verzameling artikelen. Helaas ligt hier tegelijk het zwakke punt van het boek. Het staat bol met ideeën over hoe het beter moet maar het wordt zelden concreet hoe deze idealen te bereiken met welke middelen. Er wordt niet tot actie aangezet. Zo blijft onderwijsvernieuwing het domein van de artikel schrijvende idealist en/of criticus en krijgt het te weinig voeten aan de grond van de praktijk.

 

De sterrenplukmachine


Gerdien Jansen, Barend van der Pol en Carien Franken
ISBN 9789082013085
Uitgeverij Boom

cover De sterrenplukmachinecover sterrenplukmachine

De sterrenplukmachine is het debuut van Gerdien Jansen, Barend van der Pol en Carien Franken. Samen bedachten zij het verhaal. Hierna schreef Gerdien Jansen de tekst en Carien Franken nam de illustraties en de vormgeving voor haar rekening. Bij het boek is bijpassende muziek gemaakt, deze is gecomponeerd door Barend van der Pol en is gratis te downloaden via de bijbehorende site. Daarnaast werd een theaterstuk parallel aan het boek gemaakt. Hiervan kun je een impressie krijgen via een kort filmpje (zie onder).

Het thema van het boek is de verschillen tussen mensen en hoe je elkaar kunt aanvullen. De verschillen komen terug in de vier hoofdpersonen. De professor (denker), de houtsmid (doener) en de fee (voeler) wonen in het Slingerbos. De reiziger reist rond door het bos op zoek naar antwoorden. Zijn vrouw Mira is dood en hij gelooft dat ze nu een ster is. Hij wil haar terugvinden. Onderweg ontmoet hij de professor, de houtsmid en de fee die hem elk op eigen wijze helpen bij zijn zoektocht maar ook vertellen over hun eigen wensen. Als ze allemaal samenkomen besluiten ze een sterrenplukmachine te bouwen. Ze hopen dat daardoor ieders wens uit zal komen.

De sterrenplukmachine is een traditioneel verteld verhaal geschreven vanuit het perspectief van een zogenaamde alwetende verteller, zoals in sprookjes. De toon is enigszins melancholiek. Duidelijk is dat het boek met liefde is gemaakt en de illustraties zijn prachtig en kleurrijk. Het verhaal is zo zorgvuldig opgebouwd dat het de hoofdingrediënten van een kinderboek mist, namelijk vaart, humor en spanning. Het is dus zeker geen standaard kinderboek met een lekker avontuur. Dat kun je als voor- en als nadeel zien. In elk geval zal het boek daardoor zeker niet alle kinderen aanspreken. De boodschap van het verhaal, 'de kracht van het verschil' had wat subtieler verwerkt mogen worden. Zeker omdat in de kantlijn steeds vragen staan om over het verhaal na te denken. Via deze vragen had het kind ook zelf tot het inzicht kunnen komen dat verschillen mooi zijn en dat zou krachtiger zijn geweest.

In die kantlijn kom je vragen tegen zoals 'Als je iemand voor het eerst ziet, wat weet je dan van deze persoon?', 'Bestaat er voor elke vraag een antwoord?', 'Is iemand die anders is dan jij, juist leuk of niet?' De vragen zijn vooral reflectief en introspectief van aard en zullen misschien minder snel leiden tot een filosofisch gesprek.

Inkijkversie: www.desterrenplukmachine.nl

Sfeerimpressie theaterstuk: https://www.youtube.com/watch?v=UnYOOQ-mUq0

 

Fabien van der Ham

   

Pagina 21 van 31

Centrum Kinderfilosofie Nederland, Middelburgseweg 113, 2771 NJ Boskoop, e. info@kinderfilosofie.nl