Niet voor rede vatbaar?

Niet voor rede vatbaar? De Aristote-les over hoe omgaan met ‘radicaliserende’ (moslim) jongeren

Door Kristof Van Rossem

Inleiding
‘Radicalisering’ bij jongeren. De media bericht er zo goed als dagelijks over. Maar kan je je één radicaliserende jongere voor de geest halen? Waarschijnlijk niet. Zo’n radicaliseringsproces zie je immers niet. Wat je mogelijks wel al eens hebt meegemaakt is een jongere die eigenaardig gedrag stelt. Hij laat de slaap voor zijn computer of je hoort hem plots aan de telefoon een ‘radicaal’ idee opperen als ‘de islam is de beste godsdienst’ of ‘meisjes zijn zwak’. Op zich is dat nog niet eens zo onaangenaam. Zeker bij jongeren zijn stellige standpunten, over dierenleed, belastingontduiking, het schoolbeleid, over seks(isme) of ras(cisme) een zucht van opluchting waard. Het zijn immers tekenen van leven, van jeugd. En het nuanceren of relativeren komt met de leeftijd (tot je te oud bent om nog te relativeren). Radicale opvattingen zijn dus het probleem niet. Ze kunnen in een gesprek immers geneutraliseerd of (tegen)beargumenteerd worden.

Is extremisme dan het probleem? Neen. Een extremist verdraagt geen andere standpunten dan de zijne, dat klopt. Maar zo ken je er waarschijnlijk ook wel eentje. Deze mensen zijn nog niet gewelddadig. Maar ze zijn wel lastig en onverdraagzaam. Terrorisme, dat is uiteraard wat anders. Hier zijn immers anderen in gevaar (Benyaich, 2017). Hier zijn veel mensen bang van, ook al hebben ze nooit (of misschien juist daarom) een terrorist ontmoet. Zowat over heel de wereld is het terrorisme, hoewel mede door het Westen veroorzaakt, momenteel een hot issue voor politici (Slaats, 2017). In dit artikel gaan we niet op deze problematiek in. Het is duidelijk dat deze heel complex is. Om dit goed te begrijpen, moet je je verdiepen in de complexe oorzaken van radicalisering in grootsteden. En naast kennis van de jihadistische ideologie heb je daarnaast vooral ook nog een (zelf-)kritisch onderzoek nodig naar de eigen Westerse geo-politieke geschiedeni (Slaats, 2017; Benhaddou, 2016; Schmidinger, 2015).

In het vervolg van dit artikel spreken we over problematische radicalisering (PR). Het gaat over een vergevorderde ‘state of mind’ bij jongeren die vroeg of laat leidt tot geweld.

Wat kan je als (praktisch) filosoof doen tegen PR? Je kan er niet voor de straat op. Net als de leraar is het werkterrein van de (praktisch) filosoof vooral het denken en het spreken (Van Rossem e.a., 2017). En de basiscompetenties van een praktisch filosoof zijn : luisteren en vragen stellen. Welke vraag moet je dus stellen wanneer een jongere (of oudere) een radicale, polariserende opvatting uit als : “homoseksualiteit is niet normaal” of “politici zijn allemaal zakkenvullers”? Aristoteles biedt hier inspiratie!

1. Aristoteles’ Retorica in het kort

De Retorica (ca 335 vC) gaat onder andere over hoe een spreker zijn toehoorders kan overtuigen. Aristoteles onderscheidde 3 elementen die voortdurend door elkaar heen spelen in het communicatief proces (Aristoteles, uitgave 2004). Het is zijn verwoording van de klassieke communicatieve driehoek : spreker – boodschap – toehoorder. De lexis, de stijl, laten we hier even buiten beschouwing.

1.1. Ethos

De ethos of het ‘karakter’ slaat op de persoonlijkheid van de spreker of zijn vermogen om zijn eigen persoonlijkheid in het gesprek te benutten. De ethos komt tot uiting in :
– aretè of deugdzaamheid : de spreker is een persoon die vertrouwd mag worden, die het hart op de juiste plaats heeft.
– phronesis of gezond verstand : de spreker houdt er geen rare denkbeelden op na en toont de juiste omgang met mensen
– eunoia : ‘welwillendheid’: de spreker heeft het belang van de ander voor ogen en handelt in zijn voordeel.

De combinatie van deze drie zorgt ervoor dat iemand ‘gezag’ heeft of krijgt. De Ethos is ook de ‘reputatie’ van een persoon. Als hier iets mis mee is – je gesprekspartner vertrouwt je niet, wil iets anders dan een gesprek met jou of heeft de indruk dat wat jij te vertellen hebt, in zijn nadeel zal zijn – dan krijg je je boodschap niet verkocht. Dan moet de ‘ethos’ eerst worden gethematiseerd of ‘hersteld’. Dit kan bijvoorbeeld door iets over je eigen drijfveren te vertellen.

1.2. Logos

De logos of ‘redenering’ slaat op de inhoud van de boodschap. Hier gaat het om de boodschap en de argumenten die hiervoor worden aangedragen. Dikwijls zijn mensen hierop gefocust omdat ze van zichzelf denken dat ze rationele wezens zijn. Hun voorstelling van zaken of hun beargumenteerde beslissing is echter vaak een rationele parafrase van een emotioneel proces. De argumenten die mensen gebruiken zijn dikwijls argumenten die zij belangrijk vinden!
Aristoteles onderscheidt inductieve en deductieve redeneringen. De eerste soort werkt met voorbeelden, waarnemingen, ervaringen en trekt daaruit een waarschijnlijke conclusie (vb : je ziet slingers op de vloer liggen en je denkt : ‘hier is een feestje geweest’. De tweede soort is iets dwingender omdat ze een handeling of oordeel rechtvaardigt door redenen aan te geven die overeen komen met algemene principes, waarden, aannames (vb. je zegt : ‘morgen is er een feestje dus hebben we slingers nodig – een feestje zonder slingers is geen feestje’).

1.3. Pathos

Pathos of ‘emotie’ is het vermogen van de spreker om rekening te houden met de gevoelens van zijn publiek.
Aristoteles ziet emoties als beïnvloedbare elementen van een persoonlijkheid die in verband staan met eerder opgedane ervaringen en daardoor gevormde overtuigingen. Belangrijk is hier dat een oordeel over een situatie of ervaring meteen ook een interpretatie is van een emotie. Mensen zijn immers geen emotieloze wezens en denken dikwijls in een termen die voor hen voordelig zijn. Een oordeel is een voordeel! – ook dit oordeel want het helpt me op Pathos uit te leggen. Daarom is het belangrijk om aan te sluiten bij waar de hoorders voordeel bij hebben. Volgens Aristoteles zijn mensen geïnteresseerd in dingen
– die ze belangrijk vinden
– die hen persoonlijk aangaan
– waarover ze zich kunnen verbazen
– die ze leuk en aangenaam vinden om te horen.

Over wat mensen belangrijk vinden, weten we vandaag natuurlijk veel meer dan in de tijd van Aristoteles. Verschillende hedendaagse psychologische (motivatie-) theorieën, onder andere die van Maslow, kunnen vandaag ons begrip van ‘pathos’ nog verfijnen.

2. Aristoteles toegepast : drie registers van spreken

Om te begrijpen hoe het komt dat je (geen) invloed op een gesprekspartner hebt, is Aristoteles’onderscheid nog steeds relevant. De drie vermogens kan je zien als drie registers van spreken en luisteren. Het zijn drie domeinen waarop je kan doorvragen op wat je cliënt je vertelt.

2.1. Werken met ethos (WIE)

Ethos slaat op wie er spreekt. Ethos is de ‘match’ tussen de spreker en de toehoorder. Zij willen beiden hetzelfde : dit gesprek. Het is het niveau van identiteit. En WIE je bent, toont zich minder in wat je van iets vindt als wel in wat je wilt of wat je doet. Het gaat over waarom je doet wat je doet, de focus ligt op handelingen. Als je doorvraagt over waarom iemand doet wat hij doet of wilt wat hij wilt, dan kom je bij waarden uit. En als je daarop doorvraagt, bij de spiritualiteit van die persoon.
Een voorbeeld van een Ethos-gericht gesprek (Jongere : J; Begeleider : B) :
B : Waarom voetbal je met deze groep?
J : Omdat het mijn vrienden zijn.
Hoezo zijn het je vrienden?
Ze kennen mij, we doen dagelijks van alles samen.
Welk van de twee is het belangrijkste?
Dat ze mij kennen.
Waarom?
Met mijn moeder doe ik ook veel samen maar die kent me niet zo goed
Waarom is het belangrijk dat ze jou kennen?
Dan voel ik me niet alleen.
Wil je je niet alleen voelen?
Neen
Waarom niet?
Omdat we een gemeenschap zijn.
Waarom is het belangrijk om een gemeenschap te zijn?

…..
Het doel van het stellen van vragen in het Ethos register is de ander inspireren tot bewustwording van eigen waarden en spiritualiteit.

2.2. Werken met logos (WAT)

Logos gaat over de boodschap zelf waarmee de jongere komt. In dit register wordt hij over de inhoud van zijn verhaal aangesproken. De focus ligt hierbij niet op de persoon op zich maar op WAT hij zegt. Meer specifiek werken we met wat iemand beweert over iets of iemand. In het bovenstaande voorbeeld kan je op de laatste bewering ook zakelijk ingaan.
J : “We zijn een gemeenschap”
B : Wie is die ‘we’?
De jongens van deze wijk
En waarom zijn jullie een gemeenschap?
Omdat we mekaar kennen
Wat betekent dat, dat je mekaar kent?
Dat je veel weet van de ander
Hoe veel?
Wat hij graag doet, welke meisjes hij leuk vindt, welke muziek hij graag hoort, noem maar op
Optie 1 : (aan anderen) Wie weet dit van jou? – analyse/check van de feiten
Optie 2 : Kan je je een gemeenschap voorstellen van mensen die mekaar niet kennen?
Etc.
Hier zijn er globaal genomen twee doelstellingen : ofwel vraag je naar de waarheid van de beweringen. Hier is de socratische stijl wel interessant. Je onderzoekt dan samen met de cliënt : a) wat zijn opvattingen zijn, b) of zijn opvattingen over zijn ervaringen feitelijk waar zijn (zoals de richting in optie 1) én c) of zijn aannames in het licht van die ervaring houdbaar zijn (optie 2) (Bolten en Van Rossem, 2014)
Een andere optie is dat je de cliënt helpt in het beter denken. Je kan hem helpen gedachten beter te formuleren, te nuanceren, te beargumenteren, te problematiseren, te conceptualiseren, te analyseren, te synthetiseren etc. Hier zou je bijvoorbeeld kunnen vragen welke alternatieve concepten deze jongere kan vinden voor ‘gemeenschap’ die zijn groep mogelijks nog beter beschrijven. Om het denken te oefenen zijn verschillende oefeningen beschikbaar (zie Van Rossem, 2017).

2.3. Werken met pathos (HOE)

In het register van de pathos focus je op de beleving van de ander. Het gaat om het verhaal, de ervaring en de gevoelens of emoties die daarmee gepaard gaan. Het doel van de vragen is hier niet om de waarheid van opvattingen op te vragen of om te inspireren maar om de ander te ondersteunen in zijn particuliere beleving van zijn ervaring. De focus van de vragensteller ligt op HOE iemand het verhaal brengt.
Voorbeeld :
B : Hoe voel je je in deze voetbalgroep?
J : Goed, prima
Kan je daar iets meer over vertellen?
We zijn vrienden, we kennen mekaar goed en we helpen elkaar
En bevalt je dat?
Ja zeker, daarvoor doen we het!

3. Het juiste register kiezen

Doelgericht vragen stellen in elk van deze registers is op zich nog niet voldoende om efficiënt te kunnen werken met PR- jongeren. Minstens zo belangrijk is dat je een feeling hebt voor het benaderen van de jongere in het juiste register op het juiste moment. En het centrale register is de logos. Als er op Ethos- en Pathos-vlak geen vuiltje aan de lucht is – de communicatieve context is ok, de gesprekspartners vertrouwen elkaar etc. en er zijn geen emoties die eerst erkend moeten worden – kan je meteen doorvragen over de boodschap zelf. Bij godsdienstige of ideologisch denkende jongeren, is de ethos het juiste register omdat hun discours vaak gericht is op zingeving, eerder dan op waarheid. Nochtans willen zij vaak ook op hun ratio, op hun boodschap (logos) aangesproken worden. Een mooie casus is hier het ophefmakend interview in het programma ‘De Afspraak’ op de Belgische televisie met Michael Younes Delefortrie, een teruggekeerde Syriëstrijder. De interviewer, Bart Schols werd toen op sociale media verweten te veel te zijn meegegaan in de boodschap van Delefortrie, zie https://www.youtube.com/watch?v=yKg2UsfnxHc (zie ook Van Rossem e.a., 2017).
Een andere illustratie: ik stond zelf eens op een lenteavond voor een Mechelse frituur. Voor mij stond een man van middelbare leeftijd aan te schuiven. Op dat moment kwam er een BMW cabriolet aangereden met daarin vijf jongens van vermoedelijk Marokkaanse afkomst. De man riep : “Er is hier in Mechelen maar één soort jongere die met een dikke BMW rijdt”. En ik dacht bij mezelf : hier moet ik toch een vraag stellen! Dus ik waagde een Logos-vraagje : “hoeveel soorten jongeren zijn er dan volgens jou in Mechelen?” Dat is natuurlijk een onoplosbaar sociologisch probleem. Soorten jongeren onderscheiden in een stad zal niet gemakkelijk zijn. Er kwam een onherkenbaar geluid uit de man en hij ging verder door over frieten en voetbal. Was een ethos-gerichte vraag als “Wil je zelf ook graag zo’n BMW?” of een pathos-vraag als “Storen die jongens jou?” hier beter geweest? We weten het niet. Het kan ook zijn dan hij niet voor rede vatbaar was op dat moment of misschien zelfs nooit. Sommige mensen functioneren voortdurend in het pathos-register en hebben geen interesse in de waarheid van wat ze zeggen. In zo’n geval is het aan de begeleider/filosoof om af te wegen of zo’n cliënt je energie waard is.

4. Je invloed is beperkt

Er is nog slechter nieuws. Voor veel PR- jongeren is een (goed) gesprek zelf een brug te ver omdat ze (nog) niet over de noodzakelijke communicatieve vaardigheden beschikken. Ze kunnen niet luisteren, zich niet concentreren, niet goed formuleren etc. Het gesprek is dan ook niet altijd het geëigende middel om PR aan te pakken. Vaak is andere huisvesting, een nieuw perspectief op werk, andere vrienden etc. prioritair. Vele Europese deradicaliseringsambtenaren hebben vandaag een missie en visie uitgewerkt over hoe ze radicalisering in grootsteden aanpakken. Afhankelijk van de persoonlijke geschiedenis van de jongere, vindt je hier strategieën die bepalen waar de invloed op een bepaald moment in het proces op wordt gericht. In grote lijnen kan je hier de volgende niveaus in onderscheiden. Het zijn de bekende ‘logische niveau’s van Dilts’ (Bateson, 1972)

De praktisch filosoof is gewend om zijn pijlen te richten op de overtuigingen, het Logos-niveau. Maar, zo suggereert dit model, dat is nog niet het niveau dat de cliënt het meest raakt. Om invloed te hebben op iemands ‘identiteit’ of ‘zin in het leven’, zullen we het Ethos en/of Pathos-register moeten aanspreken.
In de beschrijving van het deradicaliseringsproces van de 18 jarige Omar uit Antwerpen (De Standaard, 2017) kan je mooi zien wat er nodig is geweest om invloed op hem te krijgen. Na zijn arrestatie op de luchthaven op weg naar Syrië, werd hij in Antwerpen in een jeugdinstelling opgesloten. Vanaf dag 1 kreeg hij daar begeleiding maar zonder effect. Het versterkte alleen nog maar zijn overtuiging en hij werd er enkel nog radicaler door. Het was pas geruime tijd nadien dat er een veranderingsproces optrad. Adnan, een allochtone medewerker van een Antwerpse vzw die aan radicalisering doet, praatte toen oeverloos met Omar over de islam. En deze keer offline, bij hem in de instelling. Hij analyseerde Koranvers na Koranvers en liet hem zien dat de visie van IS niet klopte. Hij leerde ook dat het niet conform de islam is om in alle stilte te vertrekken zonder je moeder te verwittigen. Omdat de (verstoorde) relatie met zijn moeder zo belangrijk was, was dit een van de invloedrijke interventies geweest. Nadien hebben jongerenwerkers Omar geholpen om hem weer in de maatschappij te integreren : gaan sporten, de school afmaken, een nieuw doel in het leven ontwikkelen.
In dit voorbeeld zie je opnieuw hoe een samenspel van logos (analyse van de Koran), pathos (het verdriet om zijn moeder) en ethos (terug naar school willen gaan) enige invloed op het denken van Omar mogelijk hebben gemaakt.

Besluit

Plato laat Socrates in de Gorgias de retorica laagdunkend ‘vleierij’ noemen ‘dat zich geenszins om het hoogste goed bekommert’ (Gorgias, 464d). Maar wat doe je als je als praktisch filosoof een gesprekspartner treft die op de rand van de redelijkheid functioneert? Dan zijn je luisterbereidheid en je trefzekerheid in het stellen van vragen ontoereikend. Dan heb je ook nog feeling nodig voor het juiste communicatieve ‘register’. En dan moet je op een bepaald moment in het gesprek heel doelgericht te werk kunnen gaan. En dan nog is geen succes gegarandeerd. In de menselijke communicatie is onbegrip immers eerder regel dan uitzondering. En gelukkig maar. Het is precies deze onvolmaaktheid van het wederzijds begrip dat elk gesprek zinvol maakt. In het zoeken naar begrip, niet het vinden, wordt het (vaak heel) anders zijn van de (radicaal denkende) ander geopenbaard. Wie in het gesprek tracht te begrijpen ‘hoe de gemeenschappelijke wereld verschijnt voor de ander’, werkt niet alleen aan vriendschap. Die doet tegelijk ook aan politiek. In zo’n gesprek ‘herstel’ je immers de maatschappij, je creëert opnieuw de gezamenlijke wereld die door radicalisering en polarisering verloren leek te zijn. (Arendt, 1999, p.128)

Bibliografie
Arendt, H., Politiek in donkere tijden. Essays over vrijheid en vriendschap (Herziene druk). (R. Peeters & D. de Schutter, vert.), Boom, Amsterdam, 1999
Aristoteles, Retorica, Historische Uitgeverij, Groningen, 2004
Bateson, G., Steps to an Ecology of Mind: Collected Essays in Anthropology, Psychiatry, Evolution, and Epistemology. University Of Chicago Press, Chicago, 1972
Benhaddou, K., Is dit nu de Islam?, Borgerhoff§Lamberigt, Amsterdam, 2016
Benyaich, B. #radicalisme. #terrorisme. #extremisme. Van Halewyck, Leuven, 2015
Bolten, H. en Van Rossem, K., Socratisch Beraad, in Van Dartel, H., Molewijk, B., In gesprek blijven over goede zorg, Boom, Amsterdam, 2014, 96-112
Schmidinger, T. , Jihadisme: ideologie, preventie en deradicalisering, Boom, Amsterdam, 2016
Slaats, J. , Fast food fatwa’s. Over Islam, moderniteit en geweld, Davidsfonds, Antwerpen, 2015
Van Rossem, K., Meskens, J., Van Overmeir, J., Leerling of Bekeerling. Radicalisering bespreken in de klas, Acco, Leuven, 2017

Kristof Van Rossem (1969) is als zelfstandig trainer gespecialiseerd in de kunst van het vragen stellen en de socratische gespreksvoering, zie www.socratischgesprek.be. Hij is ook lerarenopleider filosofie aan de Specifieke Lerarenopleiding van de KULeuven en is docent filosofie en (beroeps)ethiek aan Odisee Hogeschool Brussel.

Wie dit leest is gek!

“Wie dit leest is gek!”

Michaël van Putten interviewt – Roderick ‘De Vragenman’ Hageman

Waarom filosoferen we eigenlijk met kinderen? Om ze te vertellen hoe dingen nou echt zitten, of om ze eigenlijk vooral even flink in de war te brengen? Roderick Hageman (beter bekend als De Vragenman) zou zeggen dat het vooral dat laatste is, en heeft zo zijn eigenzinnige methodes om dat te bereiken. Hoe hij dat doet? Bij de Rond de Tafel van 22 november gaat hij het allemaal met ons delen, maar gelukkig kon ik aan de telefoon nu al al een klein voorproefje meekrijgen. “Ik wil vooral een frisse wind door het klaslokaal laten waaien, misschien met een kippenvelmoment als gevolg”.

Dag Roderick! Voor de mensen die je nog niet kennen: wat is je praktijkervaring met kinderfilosofie? Welk deelgebied behandel je veelal?

“Ik doe veel losse opdrachten, beiden op basisscholen en middelbare scholen. Het hangt er een beetje vanaf met welke insteek zo’n opdracht aangevraagd wordt, wat dan precies de inhoud is. Gaat het bijvoorbeeld om burgerschap? Dan bouw ik mijn programma om dat thema heen. Mijn afstudeerrichting in Leiden was logica, maar ik probeer vooral datgene te bespreken dat relevant is voor het project van de leerlingen.
Momenteel doe ik een project op een middelbare school in Haarlem. Het idee is dat ze daar op een gegeven moment op het VWO een algemeen overzicht krijgen van de filosofie.”

Is dat dan ook binnen het vak filosofie?

“Grappig genoeg krijgen ze op deze school verder geen filosofie. Ik geef een soort inleiding op een project over de wetenschappelijke methode dat gegeven wordt in de 4e en de 5e, een kennismaking met (wetenschaps)filosofie eigenlijk. Dat wordt gedaan door leraren biologie en aardrijkskunde. Misschien maar goed dat ik er dus bij ben gekomen.” [lacht]

Je geeft dus vaak losse lessen op verschillende scholen. Hoe werk je daar precies mee? En wat wil je vanuit zo’n unieke positie meegeven aan leerlingen?

“Als ik op school kom om te filosoferen is er meteen al sprake van een afwijking van de dagelijkse routine. Ik pas bijvoorbeeld de opstelling van de klas aan, daarmee heb je gelijk een bijzondere positie. En dat maakt het ook makkelijker om leerlingen anders te laten denken, anders te laten praten. De boodschap die ik dan ook probeer mee te geven is: probeer eens om de gevestigde conventies heen te denken. Probeer na te denken over wat je echt zegt, of wat iemand anders echt bedoelt. En probeer te zien dat vanuit een andere invalshoek er ineens heel veel ‘ruimte naar boven’ kan zijn.”

Hoe gebruik je je kennis van de logica in zo’n lesprogramma?

“Logica is eigenlijk een hele dankbare achtergrond om te hebben, omdat het je in het algemeen leert hoe je goede vragen stelt. De allerbelangrijkste vraag is dan eigenlijk deze: “wat bedoel je precies?”. Dat proberen te beantwoorden dwingt tot nadenken! Bedoelde je het eigenlijk wel, wat je precies hebt gezegd? En wat kan je dan weer allemaal afleiden uit je bewering? Klopt dat ook? En wat als je het tegenovergestelde zou beweren, gebeurt er dan iets interessants?”

Wat maakt het dan precies filosofie, wat je met deze kinderen doet? Is dat de methode van de logica die er achter zit? Of is dat iets anders?

“Dat is deels wel de logica ja, maar niet alleen dat. Toen ik begon met filosofie studeren, kreeg je een inleiding van de Westerse filosofie. Dan krijg je al die stromingen en filosofen naar je toegeworpen, en ga je ermee aan de slag. En elke keer denk je weer: “oh, zo kan je het dus ook zien!” Maar als je aan het einde van het vak komt, en je gaat bedenken wie er gelijk heeft, dan is dat nog niet zo makkelijk. Dat is op zich niet zo erg, filosofie is geen wedstrijd. Het is namelijk al een hele interessante onderneming om verschillende visies naast elkaar te zetten. En om vragen te stellen die niet zomaar zijn te beantwoorden. Het belangrijkste is om op die weg te gaan zitten met kinderen. Je merkt dat er dan al hele interessante dingen langs komen, namelijk.
Betreffende de logica: we gaan daarin natuurlijk een beetje uit van een heel strikt, formeel systeem, wat ook weer alles omvat. Logische regels zijn heel goed en belangrijk om aan te leren, maar het kan met kinderen ook wel eens leuk zijn om daar juist buiten de box te denken; om te kijken wat er gebeurt als je de logische regels overtreedt. Wat voor consequenties heeft dat?”

Zou je dan zeggen dat – zeker met kinderen – de nadruk moet liggen op de goede vragen stellen, meer dan ze perfect willen beantwoorden?

“Precies. Dat is zeker zo. Het belangrijkste is dat ze aan het denken gezet worden, dat ze verwondering ontwikkelen, zin krijgen om dingen te ontdekken.”

Na het lezen van een filosofisch boek kunnen we soms zó onder de indruk zijn, echt het gevoel hebben dat er een bijna levensveranderende omkering heeft plaatsgevonden in ons hoofd … maar een week later doe je er niet zo veel meer mee. Denk je dat het leerlingen ook na je les bij blijft wat je ze hebt meegegeven?

“Haha, ik pretendeer niet echt dat ik die kinderen levensveranderende dingen leer, hoor. Ik wil vooral even een frisse wind te laten waaien, misschien met een kippenvelmoment als gevolg. Dat je die ogen groter ziet worden, dat is voor mij al voldoende. Daar nemen ze echt wel iets uit mee.”

Kunnen kinderen ook wel eens beter filosoferen dan volwassenen?

“Het mooie van vooral jonge kinderen is dat ze nog niet vast zitten in bepaalde conventies. Kortom, je ‘zet ze aan’ en ze gaan vrij gemakkelijk buiten de gevestigde ideeën om denken. Wat oudere kinderen, zoals die van 3 VWO waar ik nu mee werk, zijn al wat minder onbevangen maar zitten nog niet zo vast als volwassenen. Pubers zijn wel heel bewust bezig met hun identiteit en ingewikkelde rollenpatronen, iets waar je zeker rekening mee moet houden en lastig kan zijn. Volwassenen kunnen dat overigens ook hebben, hoor. Om dan ook je vraag te beantwoorden: ‘kunnen kinderen beter filosoferen dan volwassenen?’ Ja dat kan, maar niet alle kinderen zijn beter dan alle volwassenen!”

Wat een logisch en veilig antwoord!

[lacht] “Soms moet je ook wél een veilig antwoord geven, hè. En in een tijd waarin feiten worden ontkend en leugens regeren, is logica hard nodig. Altijd dus, ha.”

Je werkt dus in de praktijk met allerlei deelgebieden van de wijsbegeerte. Welk deelgebied vinden jongere kinderen over het algemeen het leukst?

“Lastige vraag. Je merkt vooral dat het belangrijk is dat je moet kunnen inhaken op wat op dat moment belangrijk is voor die kinderen. Soms is er namelijk een specifieke gebeurtenis in de klas of in het nieuws die je niet kunt negeren. Een voorbeeld: vorig jaar moest ik op een middelbare school een 1e uur filosoferen op dinsdagochtend – sowieso al niet ideaal op zichzelf, niemand is nog echt wakker – en toen was de nacht daarvoor de vader van een van de klasgenoten overleden. Dan weet je al: vandaag moet ik niet aan mijn lesprogramma vasthouden.
Filosoferen met kinderen moet je namelijk altijd doen met degenen die daar zijn en met oog voor hoe ze daar zijn. Thema’s kun je van te voren bedenken, maar je moet ook kunnen improviseren. Kinderen gaan vooral mee als je oog hebt voor de specifieke omstandigheden waar ze zich in bevinden.”

Tot slot: wat ga je straks tijdens de Rond de Tafel van november aan ons vertellen?

“Ik ga wat vertellen over de methodes die ik hanteer. Stel je eens het volgende voor: je staat voor een klas met kinderen, en je zet de volgende zin op het bord:

Wie dit leest is gek

Eigenlijk heb je ze dan al gelijk te pakken. “Hoe is dat mogelijk, dat een zin over zijn lezer een uitspraak kan doen? Hoe kan het nou, ik lees dit maar ben niet gek?” Je laat ze een tijdje pruttelen, en vervolgens zet je de volgende zin er onder:

De vorige zin is niet waar

Dan is iedereen heel opgelucht! “We zijn weer in veilig gebied, niemand is gek, het viel allemaal wel mee.” Dan merk je dat er zo ontzettend veel gebeurt in die hoofden.

In november zal ik nog meer doen met deze en andere ware en onware zinnen. Waar leg je de accenten? Wat gebeurt er als je alleen bepaalde woorden weg haalt? Ook zal ik wat over de theoretische achtergrond vertellen, omdat je daar ontzettend leuke dingen mee kan doen. Denk aan de wet van identiteit, de wet van non-contradictie, de wet van de uitgesloten derde, enzovoorts.”

Klinkt geweldig. Hartelijk bedankt voor het leuke gesprek, en tot november!

“Tot dan!”

De groeiende angst voor elkaar in de klas

31 May 2018
Artikel van Kim van Keken, journalist van het jaar, in de Groene Amsterdammer.

“Juf ik wil niet naast een homo zitten.”

Diversion is al 15 jaar partner voor het onderwijs in het bespreekbaar maken van gevoelige maatschappelijke kwesties. Taboes en polarisatie onder jongeren nemen toe en de taak van de docent wordt hierin steeds ingewikkelder. Wij blijven het agenderen. Juist omdat de benodigde ondersteuning en oplossingen het klaslokaal maar moeizaam bereiken. Daarom hebben wij journalist van het jaar, Kim van Keken, de opdracht gegeven met een onbevangen blik van buitenaf in het kaslokaal te kijken en met een aantal mensen uit ons netwerk te spreken. Het resultaat is een indringend verhaal. Zie hieronder het artikel die tevens in De Groene Amsterdammer is gepubliceerd. Continue reading

Kritisch nadenken is niet alleen maar een individuele denkexercitie

Juli 2018
Interview – Floor Rombout (door: Michaël van Putten)

U kent het wel: de veronderstelling dat sommige mensen onder ons vooral theoretisch denkers zouden zijn, waar anderen weer hoofdzakelijk praktijkgericht in elkaar zitten. Met haar onderzoek naar ‘waardegeladen kritisch denken’ op middelbare scholen is Floor Rombout – NWO promovendus én filosofiedocent – een indrukwekkend voorbeeld van iemand die het lekker allebei kan. “Het lesgeven zou ik niet willen missen, op deze manier kan ik echt een theoretisch verdiepende slag maken”. Continue reading